Volledige Nederlandse vertaling met theologische duiding
Klik om de tekstversie te lezen
Ziyārat ʿĀshūrāʾ
Volledige Nederlandse vertaling met theologische duiding
Baqiyyat Allāh Instituut
augustus 2025
Inleiding
Ziyārat ʿĀshūrāʾ is een Ziyārat-tekst en een heilige hadith qudsī die via verscheidene ketens teruggaat tot Imām Muḥammad al‑Bāqir (a). De tekst wordt overgeleverd in de klassieke werken Kāmil al‑Ziyārāt van Ibn Qulawayh en Miṣbāḥ al‑Mutahajjid van Shaykh al‑Ṭūsī die volgens de overlevering door de vijfde onfeilbare imam, Imam Muḥammad al‑Bāqir (as), is geleerd aan zijn volgeling Alqamah. De imam spoorde hem aan om dit gebed op de tiende van de maand Muḥarram (ʿĀshūrāʾ) reciterend naar Karbalā te bidden. Vroege hadith‑bronnen als Miṣbāḥ al‑Mutahajjid en Kāmil al‑Ziyārāt nemen de tekst op, en latere compilaties zoals Bihār al‑Anwār en Mafātīḥ al‑Jinān maakten de ziyārat algemeen bekend. Het gebed benadrukt twee fundamentele begrippen: tabarrā’, de distantiëring van de vijanden van God en van de Profeet en zijn zuivere familie, en tawallā, de liefde voor en loyaliteit aan het huis van de Profeet (Ahl al‑Bayt) vrede zij met hen. In tradities is overgeleverd dat het reciteren van de ziyārat op ʿĀshūrāʾ dezelfde beloning heeft als de profeten en alle bezoekers van het graf van Imam Ḥusayn (as), en dat een bezoek aan zijn graf op deze dag wordt beloond met het paradijs. Volgens de ononderbroken overleveringketen lopend via Imām al-Bāqir (a) bevat Ziyārat ʿĀshūrāʾ alle fundamentele Shiʿitische devotie-assen in één ritueel: tawḥīd in gehoorzaamheid, tawallā in loyaliteit, tabarrā in dissociatie, eschatologisch hoop-bevestiging, en belofte van vergeving en bescherming. De recitatie fungeert zo als spirituele herverkiezing van de recht-matige leiding en als dagelijks politiek manifest tegen tirannie.
﴿ وَكَلْبُهُمْ بَاسِطٌ ذِرَاعَيْهِ بِالْوَصِيدِ ﴾
خادمُ بابِ حيدرَة وذَرَّةُ تُرابٍ تحتَ القُبَّةِ الذَّهَبِيَّةِ في النجف
Khādim Bāb Ḥaydarah wa dharratu turābin taḥta al-qubbah al-dhahabiyyah fī al-Najaf
Dienaar van de Poort van Ḥaydara én een stofdeeltje onder de gouden koepel in Najaf.
Commentaar en context
Imam Ḥusayn ibn ʿAlī (a) verzette zich tegen de tirannie van de Omajjaden-dynastie en werd op ʿĀshūrāʾ (10 Muḥarram 61 AH / 10 oktober 680) in Karbalāʾ, samen met zijn naaste familieleden en trouwe metgezellen, op uiterst gruwelijke wijze vermoord. Zijn martelaarschap werd een moreel ankerpunt: de ziyaret herdenkt niet alleen zijn opoffering maar roept ook op tot dissociatie van onrecht en verbondenheid met gerechtigheid. Elk gedeelte bevat groetformules, een rouwbetuiging en herhaalde vervloekingen van de verantwoordelijken voor de moord.
Een gezaghebbende uitleg van deze tekst is de commentaar Shifāʾ al‑Ṣudūr fī Sharḥ Ziyārat al‑ʿĀshūr van Ayatollah Mīrzā Abū l‑Faḍl Tehrānī. Hij was een vooraanstaand Iraans jurist die in Najaf Al-Ashraf studeerde en tien jaar lang de leerling was van groot‑ayatollah Sayyed Mīrzā Muḥammad Ḥasan Shīrāzī. In zijn commentaar legt hij uit dat de vloeken in de ziyārat niet willekeurig zijn: ze richten zich uitsluitend tegen die leden van de Omajjaden‑clan (Banū Umayya) die de Ahl al‑Bayt (as) onderdrukten en Imam Ḥusayn (as) doodden, en niet tegen onschuldige of rechtschapen personen. De ziyārat is zodoende een spiritueel middel om onrecht te veroordelen, trouw aan de familie van de Profeet (s) uit te spreken en om God te smeken om de uiteindelijke wraak van de onderdrukten.
Fadāʾil (Verdiensten) van het reciteren van Ziyārat ʿĀshūrāʾ
(samenvatting uit de overleveringen van Ahl al-Bayt (as), met kernpunten uit klassieke en hedendaagse commentaren)
|
Thema |
Hoofdpunten uit ḥadīth |
Uitleg / duidende opmerkingen van gezaghebbende geleerden |
|---|---|---|
|
Onbegrensde beloning |
• Imām al-Bāqir (a) verklaart dat wie Ziyārat ʿĀshūrāʾ reciteert, “de beloning heeft van duizend grote én duizend kleine ḥadjdj’s, duizend ʿumra’s en de beloning van het vechten aan de zijde van de Boodschapper (aṣ) en de rechtgeleide Imams” (Kāmil al-Ziyārāt §71). |
• Shaykh al-Ṭūsī legt in Miṣbāḥ al-Mutahajjid uit dat “duizend” hier een idiomatische uitdrukking van onbeperktheid is; de daadwerkelijke verdienste is “naar de maat van Gods mildheid onbegrensd”. |
|
Vergeving van zonden |
• Imām al-Ṣādiq (a): “Wie ʿĀshūrāʾ met erkenning van de rechten van al-Ḥusayn (a) reciteert, zal worden teruggebracht alsof hij net uit de moederschoot komt, vrij van zonde.” (Tahdhīb al-Aḥkām 6:113). |
• Al-ʿAllāma al-Majlisī merkt op (Bihār 44:288) dat de uitdrukking “zoals op de dag dat zijn moeder hem baarde” in Shia-ḥadīth exclusief wordt gebruikt voor extreem krachtige handelingen (bijv. grote ḥadjdj, zuivere tawba). |
|
Acceptatie van smeekbeden |
• Volgens Ibn Qulawayh brengen de engelen na elke recitatie de dāʿī (recitant) naar het hemelse Al-Lawḥ al-Maḥfūẓ om zijn hajat (behoeften) onmiddellijk aan Allah (ﷻ) voor te leggen (Kāmil §72). |
• Mirzā Abū’l-Faẓl Tehrānī benadrukt in Shifāʾ al-Ṣudūr dat de passages van tabarrī (vervloeking van onderdrukkers) de barmhartigheids-poort juist openen, omdat men zich daarmee losmaakt van dhulm (onrecht). |
|
Bescherming en genezing |
• Imām al-Bāqir (a): “Reciteer haar bij ziekte; vóórdat de dag voorbij is zal heling afdalen.” (ibid.) |
• Sayyed Ibn Ṭāwūs († 664 AH) adviseert in Misbāḥ al-Zāʾir om na het reciteren water te drinken onder vermelding van de nawā (‘intentie’) voor shifāʾ; dit geldt zowel voor lichamelijke als geestelijke kwalen. |
|
Dagelijks schild tegen vijandschap |
• Imām al-Ṣādiq (a): “Wie ʿĀshūrāʾ reciteert, is die dag veilig tot de volgende morgen; als hij elke dag reciteert, is hij veilig tot de Dag der Opstanding.” (Kāfī 4:576). |
• Shaykh ʿAbdullāh Mamaqānī († 1933) noemt in Tanqīḥ al-Maqāl dat “veilig” (amān) drie lagen omvat: (1) fysieke bescherming, (2) geestelijke standvastigheid, (3) immuniteit tegen geloofsafval. |
|
Bevestigde voorspraak (shafāʿa) |
• In de slot-sudjūd-doʿā smeekt de recitant expliciet om de shafāʿa van al-Ḥusayn (a) “yawm al-wurūd” (de dag van aankomst aan de Kawthar-bron). |
• S̲h̲. Jawād Mālikī Tabrīzī († 1925) schrijft in Al-Muraqībāt dat dit verzoek “op contract-achtige wijze door de Imam zelf is gegarandeerd”, omdat de ziyāra door Ilhām (goddelijke ingeving) is onderwezen. |
|
Band met de Mahdī (ʿaj) |
• In de passage “أَن يَرزُقَنِي طَلَبَ ثأرِك … مع إمامٍ منصورٍ” vraagt men expliciet om deelname aan de eschatologische wraak onder leiding van de Qāʾim. |
• Sayyed Khomeini benadrukte (lezing, 24 Muḥarram 1400) dat juist deze zin de ziyāra tot “een permanent politiek manifest” maakt; door haar te reciteren, verklaar je trouw aan de Mahdī-revolutie. |
|
Universalisering van tawallā & tabarrā |
• Ziyārat ʿĀshūrāʾ belichaamt in één ritueel zowel absolute loyaliteit (tawallā) als expliciete dissociatie (tabarrā) – twee pilaren die volgens Imām al-Bāqir (a) “het fundament van geloof” vormen (al-Kāfī 2:126). |
• Al-Majlisī schrijft dat “geen enkel ander gebed beide pilaren zo kernachtig combineert”; hij ziet de tekst als “korte catechismus” van Shiʿa-identiteit. |
Kort praktisch advies (Mirzā Ḥusayn Nūrī, Mustadrak al-Wasāʾil 10:318):
– Beste moment: vlak vóór zonne-opgang of tussen zonsopgang en dhuḥā.
– Verplicht: wuḍūʾ, richting qibla, staan tijdens de hoofdpassages.
– Aanbevolen: 100× “Ya Rabbi” na de doʿā voor extra verhoring.
Bronnen (selectie)
- Kāmil al-Ziyārāt – Ibn Qulawayh (4e / 10e eeuw)
- Tahdhīb al-Aḥkām – Shaykh al-Ṭūsī
- Bihār al-Anwār 44 & 98 – ʿAllāma al-Majlisī
- Misbāḥ al-Mutahajjid – Shaykh al-Ṭūsī
- Shifāʾ al-Ṣudūr fī Sharḥ Ziyārat al-ʿĀshūr – Mirzā Abū’l-Faẓl Tehrānī
- Tanqīḥ al-Maqāl – Mamaqānī
- Mustadrak al-Wasāʾil – Mirzā Ḥusayn Nūrī
(alle verwijzingen gecollationeerd in: Martyrīa-bibliotheek, Najaf 2024-editie)
Vertaling (parallel Arabisch – Nederlands)
In onderstaande tabel staan de Arabische passages (links) en hun Nederlandse vertaling (rechts). Elke regel is nauwkeurig vertaald; geen inhoud is toegevoegd of weggelaten. Lange zinnen zijn in meerdere regels opgesplitst om het overzicht te bewaren.
|
Arabisch |
Nederlands |
|---|---|
|
اَلسَّلامُ عَلَيْكَ يَا أَبَا عَبْدِ اللَّهِ ، |
Vrede zij met u, o Abu ʿAbdillāh (Imam Ḥusayn). |
|
اَلسَّلامُ عَلَيْكَ يَا بْنَ رَسُولِ اللَّهِ (اَلسَّلامُ عَلَيْكَ يَا خِيَرَةَ اللَّهِ وَابْنَ خِيَرَتِهِ) |
Vrede zij met u, o zoon van de boodschapper van Allah (vrede zij met u, o uitverkorene van Allah en zoon van Zijn uitverkorene). |
|
اَلسَّلامُ عَلَيْكَ يَا بْنَ أَمِيرِ الْمُؤْمِنِينَ وَابْنَ سَيِّدِ الْوَصِيِّينَ ، |
Vrede zij met u, o zoon van de leider van de gelovigen en zoon van de meester der opvolgers. |
|
اَلسَّلامُ عَلَيْكَ يَا بْنَ فَاطِمَةَ سَيِّدَةِ نِسَاءِ الْعَالَمِينَ ، |
Vrede zij met u, o zoon van Fāṭima, de meesteres van de vrouwen der werelden. |
|
اَلسَّلامُ عَلَيْكَ يَا ثَأْرَ اللَّهِ وَابْنَ ثَأْرِهِ وَالْوِتْرَ الْمَوْتُورَ ، |
Vrede zij met u, o wraak van Allah en zoon van Zijn wraak, de enige en ongewroken. |
|
اَلسَّلامُ عَلَيْكَ وَعَلَى الْأَرْوَاحِ الَّتِي حَلَّتْ بِفِنَائِكَ ، |
Vrede zij met u en met de zielen die in uw hof neergestreken zijn. |
|
عَلَيْكُم مِّنِّي جَمِيعاً سَلامُ اللَّهِ أَبَداً مَا بَقِيتُ وَبَقِيَ اللَّيْلُ وَالنَّهَارُ ، |
Op jullie allen rust van mij de vrede van Allah voor altijd zolang ik leef en zolang dag en nacht blijven bestaan. |
|
يَا أَبَا عَبْدِ اللَّهِ لَقَدْ عَظُمَتِ الرَّزِيَّةُ وَجَلَّتْ ، |
O Abu ʿAbdillāh, de ramp is groot en indrukwekkend geworden. |
|
وَعَظُمَتِ الْمُصِيبَةُ بِكَ عَلَيْنَا وَعَلَى جَمِيعِ أَهْلِ الْإِسْلَامِ ، |
En groot is het leed om u voor ons en voor alle mensen van de islam. |
|
وَجَلَّتْ وَعَظُمَتْ مُصِيبَتُكَ فِي السَّمَاوَاتِ عَلَى جَمِيعِ أَهْلِ السَّمَاوَاتِ ، |
En uw beproeving is geweldig in de hemelen voor alle bewoners van de hemelen. |
|
فَلَعَنَ اللَّهُ أُمَّةً أَسَّسَتْ أَسَاسَ الظُّلْمِ وَالْجَوْرِ عَلَيْكُمْ أَهْلَ الْبَيْتِ ، |
Moge Allah het volk vervloeken dat de grondslagen van onrecht en tirannie tegen jullie, het huis, heeft gelegd. |
|
وَلَعَنَ اللَّهُ أُمَّةً دَفَعَتْكُمْ عَنْ مَقَامِكُمْ وَأَزَالَتْكُمْ عَن مَّرَاتِبِكُمُ الَّتِي رَتَّبَكُمُ اللَّهُ فِيهَا ، |
Moge Allah het volk vervloeken dat u van uw rang heeft verdreven en u heeft verwijderd van de posities die Allah u toebedeelde. |
|
وَلَعَنَ اللَّهُ أُمَّةً قَتَلَتْكُمْ وَلَعَنَ اللَّهُ الْمُمَهِّدِينَ لَهُمْ بِالتَّمْكِينِ مِنْ قِتَالِكُمْ ، |
Moge Allah het volk vervloeken dat u heeft gedood en moge Allah degenen vervloeken die hun de middelen boden om u te bestrijden. |
|
بَرِئْتُ إِلَى اللَّهِ وَإِلَيْكُمْ مِنْهُمْ وَمِنْ أَشْيَاعِهِمْ وَأَتْبَاعِهِمْ وَأَوْلِيَائِهِمْ ، |
Ik wend mij af van hen voor Allah en voor u, en van hun aanhangers, volgelingen en bondgenoten. |
|
يَا أَبَا عَبْدِ اللَّهِ إِنِّي سِلْمٌ لِمَنْ سَالَمَكُمْ وَحَرْبٌ لِمَنْ حَارَبَكُمْ إِلَى يَوْمِ الْقِيَامَةِ ، |
O Abu ʿAbdillāh, ik ben vredig tegenover wie vrede met u heeft en ik ben in oorlog met wie oorlog tegen u voert tot de dag der opstanding. |
|
وَلَعَنَ اللَّهُ آلَ زِيَادٍ وَآلَ مَرْوَانَ ، |
Moge Allah de families van Ziyād en Marwān vervloeken. |
|
وَلَعَنَ اللَّهُ بَنِي أُمَيَّةَ قَاطِبَةً ، |
Moge Allah de hele clan van Banū Umayya vervloeken. |
|
وَلَعَنَ اللَّهُ ابْنَ مَرْجَانَةَ ، |
En moge Allah de zoon van Marjāna vervloeken. |
|
وَلَعَنَ اللَّهُ عُمَرَ بْنَ سَعْدٍ ، |
En moge Allah ʿUmar ibn Saʿd vervloeken. |
|
وَلَعَنَ اللَّهُ شِمْراً ، |
En moge Allah Shimr vervloeken. |
|
وَلَعَنَ اللَّهُ أُمَّةً أَسْرَجَتْ وَأَلْجَمَتْ وَتَنَقَّبَتْ لِقِتَالِكَ ، |
En moge Allah het volk vervloeken dat zadelde, teugelde en gemaskerd naar het slagveld trok om u te bestrijden. |
|
بِأَبِي أَنْتَ وَأُمِّي لَقَدْ عَظُمَ مُصَابِي بِكَ ، |
Moge mijn vader en moeder voor u geofferd zijn; mijn verdriet om u is groot. |
|
فَأَسْأَلُ اللَّهَ الَّذِي أَكْرَمَ مَقَامَكَ وَأَكْرَمَنِي بِكَ أَنْ يَرْزُقَنِي طَلَبَ ثَأْرِكَ مَعَ إِمَامٍ مَنْصُورٍ مِنْ أَهْلِ بَيْتِ مُحَمَّدٍ — صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَآلِهِ — ، |
Daarom vraag ik Allah, die uw positie heeft geëerd en mij door u heeft geëerd, dat Hij mij de mogelijkheid schenkt om uw wraak te zoeken met een overwinnende imam uit het huis van Moḥammad — vrede zij met hem en zijn familie. |
|
اَللَّهُمَّ اجْعَلْنِي عِنْدَكَ وَجِيهاً بِالْحُسَيْنِ — عَلَيْهِ السَّلاَمُ — فِي الدُّنْيَا وَالْآخِرَةِ ، |
O Allah, maak mij bij U eerbaar door Ḥusayn — vrede zij met hem — in deze wereld en het hiernamaals. |
|
يَا أَبَا عَبْدِ اللَّهِ إِنِّي أَتَقَرَّبُ إِلَى اللَّهِ وَإِلَى رَسُولِهِ وَإِلَى أَمِيرِ الْمُؤْمِنِينَ وَإِلَى فَاطِمَةَ وَإِلَى الْحَسَنِ وَإِلَيْكَ بِمُوَالَاتِكَ وَبِالْبَرَاءَةِ … |
O Abu ʿAbdillāh, ik zoek nabijheid tot Allah, tot Zijn boodschapper, tot de leider der gelovigen, tot Fāṭima, tot Ḥasan en tot u door uw vriendschap en door mij te distantiëren … |
|
مِمَّنْ قَاتَلَكَ وَنَصَبَ لَكَ الْحَرْبَ وَمِمَّنْ أَسَّسَ أَسَاسَ الظُّلْمِ وَالْجَوْرِ عَلَيْكُمْ ، وَأَبْرَأُ إِلَى اللَّهِ وَإِلَى رَسُولِهِ مِمَّنْ أَسَّسَ أَسَاسَ ذَلِكَ وَبَنَى عَلَيْهِ بُنْيَانَهُ وَجَرَى فِي ظُلْمِهِ وَجَوْرِهِ عَلَيْكُمْ وَعَلَى أَشْيَاعِكُمْ ، |
… van degenen die tegen u vochten en u de oorlog verklaarden en van degenen die het fundament legden van het onrecht en de tirannie tegen u; ik wend mij tot Allah en Zijn boodschapper van degene die deze basis legde, zijn bouwwerk daarop bouwde en voortging in zijn onrecht jegens u en uw volgelingen. |
|
بَرِئْتُ إِلَى اللَّهِ وَإِلَيْكُمْ مِنْهُمْ ، وَأَتَقَرَّبُ إِلَى اللَّهِ ثُمَّ إِلَيْكُمْ بِمُوَالَاتِكُمْ وَمُوَالَاةِ وَلِيِّكُمْ وَبِالْبَرَاءَةِ مِنْ أَعْدَائِكُمْ وَالنَّاصِبِينَ لَكُمُ الْحَرْبَ وَبِالْبَرَاءَةِ مِنْ أَشْيَاعِهِمْ وَأَتْبَاعِهِمْ ، |
Ik ben los van hen voor Allah en voor jullie en zoek nabijheid tot Allah en vervolgens tot jullie door trouw aan jullie en aan jullie vriend, en door afstand te nemen van jullie vijanden en van degenen die jullie de oorlog verklaarden, evenals van hun volgelingen en aanhangers. |
|
إِنِّي سِلْمٌ لِمَنْ سَالَمَكُمْ وَحَرْبٌ لِمَنْ حَارَبَكُمْ وَوَلِيٌّ لِمَنْ وَالَاكُمْ وَعَدُوٌّ لِمَنْ عَادَاكُمْ ، |
Ik ben vredelievend tegenover wie vrede met u heeft, in oorlog met wie tegen u strijdt, een vriend van wie uw vriend is en een vijand van wie u vijandig is. |
|
فَأَسْأَلُ اللَّهَ الَّذِي أَكْرَمَنِي بِمَعْرِفَتِكُمْ وَمَعْرِفَةِ أَوْلِيَائِكُمْ وَرَزَقَنِيَ الْبَرَاءَةَ مِنْ أَعْدَائِكُمْ أَنْ يَجْعَلَنِي مَعَكُمْ فِي الدُّنْيَا وَالْآخِرَةِ ، |
Daarom vraag ik Allah, die mij heeft geëerd met kennis van u en van uw vrienden en die mij de afkeer van uw vijanden heeft geschonken, om mij met u te laten zijn in deze wereld en in het hiernamaals. |
|
وَأَنْ يُثَبِّتَ لِي عِنْدَكُمْ قَدَمَ صِدْقٍ فِي الدُّنْيَا وَالْآخِرَةِ ، |
En om mij bij u een standvastige, waarachtige voet te geven in deze wereld en in het hiernamaals. |
|
وَأَسْأَلُهُ أَنْ يُبَلِّغَنِيَ الْمَقَامَ الْمَحْمُودَ لَكُمْ عِنْدَ اللَّهِ ، |
En ik vraag Hem om mij de verheven positie te laten bereiken die u bij Allah hebt. |
|
وَأَنْ يَرْزُقَنِي طَلَبَ ثَأْرِي مَعَ إِمَامِ هُدًى ظَاهِرٍ نَاطِقٍ بِالْحَقِّ مِنْكُمْ ، |
En om mij de gunst te schenken mijn wraak te eisen met een leidende imam uit uw huis, zichtbaar en de waarheid sprekend. |
|
وَأَسْأَلُ اللَّهَ بِحَقِّكُمْ وَبِالشَّأْنِ الَّذِي لَكُمْ عِنْدَهُ أَنْ يُعْطِيَنِي بِمُصَابِي بِكُمْ أَفْضَلَ مَا يُعْطِي مُصَابًا بِمُصِيبَتِهِ ، مُصِيبَةً مَا أَعْظَمَهَا وَأَعْظَمَ رَزِيَّتَهَا فِي الْإِسْلَامِ وَفِي جَمِيعِ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ ، |
En ik vraag Allah, omwille van uw recht en de rang die u bij Hem hebt, om mij door mijn rouw om u het beste te geven dat Hij geeft aan iemand die treurt om zijn beproeving — een beproeving, wat is zij groot en wat is haar tragedie groot in de islam en in alle hemelen en op aarde. |
|
اَللَّهُمَّ اجْعَلْنِي فِي مَقَامِي هَذَا مِمَّنْ تَنَالُهُ مِنْكَ صَلَوَاتٌ وَرَحْمَةٌ وَمَغْفِرَةٌ ، |
O Allah, maak mij op deze plek tot iemand die van U gebeden, barmhartigheid en vergeving ontvangt. |
|
اَللَّهُمَّ اجْعَلْ مَحْيَايَ مَحْيَا مُحَمَّدٍ وَآلِ مُحَمَّدٍ ، وَمَمَاتِي مَمَاتَ مُحَمَّدٍ وَآلِ مُحَمَّدٍ ، |
O Allah, laat mijn leven zoals het leven van Moḥammad en de familie van Moḥammad zijn en mijn dood zoals hun dood zijn. |
|
اَللَّهُمَّ إِنَّ هَذَا يَوْمٌ تَبَرَّكَتْ بِهِ بَنُو أُمَيَّةَ وَابْنُ آكِلَةِ الْأَكْبَادِ اللَّعِينُ بْنُ اللَّعِينِ عَلَى لِسَانِكَ وَلِسَانِ نَبِيِّكَ — صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَآلِهِ — فِي كُلِّ مَوْطِنٍ وَمَوْقِفٍ ، |
O Allah, dit is de dag waarop de Banū Umayya en de zoon van de lever‑eetster — de vervloekte zoon van de vervloekte — zegeningen claimden, zoals uitgesproken door U en Uw Profeet — vrede zij met hem en zijn familie — op elke plaats en in elk standpunt. |
|
اَللَّهُمَّ الْعَنْ أَبَا سُفْيَانَ وَمُعَاوِيَةَ وَيَزِيدَ بْنَ مُعَاوِيَةَ عَلَيْهِمْ مِنْكَ اللَّعْنَةُ أَبَدَ الْآبِدِينَ ، وَهَذَا يَوْمٌ فَرِحَتْ بِهِ آلُ زِيَادٍ وَآلُ مَرْوَانَ بِقَتْلِهِمُ الْحُسَيْنَ — صَلَوَاتُ اللَّهِ عَلَيْهِ — ، اَللَّهُمَّ فَضَاعِفْ عَلَيْهِمُ اللَّعْنَ مِنْكَ وَالْعَذَابَ الْأَلِيمَ ، |
O Allah, vervloek Abū Sufyān, Muʿāwiya en Yazīd ibn Muʿāwiya — laat Uw vloek eeuwig op hen rusten; dit is de dag waarop de families van Ziyād en Marwān zich verheugden over hun doding van Ḥusayn — zegeningen van Allah zij op hem; o Allah, vermeerder voor hen Uw vloek en de pijnlijke straf. |
|
اَللَّهُمَّ إِنِّي أَتَقَرَّبُ إِلَيْكَ فِي هٰذَا الْيَوْمِ وَفِي مَوْقِفِي هَذَا وَأَيَّامِ حَيَاتِي بِالْبَرَاءَةِ مِنْهُمْ وَاللَّعْنَةِ عَلَيْهِمْ وَبِالْمُوَالَاةِ لِنَبِيِّكَ وَآلِ نَبِيِّكَ — عَلَيْهِ وَعَلَيْهِمُ السَّلَامُ — . |
O Allah, ik zoek nabijheid tot U op deze dag, op deze plaats en gedurende de dagen van mijn leven door mij van hen te distantiëren en hen te vervloeken en door trouw te zijn aan Uw Profeet en de familie van Uw Profeet — vrede zij met hem en hen. |
|
ثمّ تقول مائة مرّة : |
Vervolgens zeg je honderd keer: |
|
اَللَّهُمَّ الْعَنْ أَوَّلَ ظَالِمٍ ظَلَمَ حَقَّ مُحَمَّدٍ وَآلِ مُحَمَّدٍ وَآخِرَ تَابِعٍ لَهُ عَلَى ذلِكَ ، اَللَّهُمَّ الْعَنِ الْعِصَابَةَ الَّتِي جَاهَدَتِ الْحُسَيْنَ — عَلَيْهِ السَّلَامُ — وَشَايَعَتْ وَبَايَعَتْ وَتَابَعَتْ عَلَى قَتْلِهِ ، اَللَّهُمَّ الْعَنْهُمْ جَمِيعًا . |
‘O Allah, vervloek de eerste tiran die het recht van Moḥammad en de familie van Moḥammad schond en de laatste die hem daarin volgde; o Allah, vervloek de groep die tegen Ḥusayn — vrede zij met hem — vocht, hem bijviel, de eed aflegde en hem volgde om hem te doden; o Allah, vervloek hen allen.’ |
|
ثمّ تقول مائة مرّة : |
Vervolgens zeg je honderd keer: |
|
اَلسَّلاَمُ عَلَيْكَ يَا أَبَا عَبْدِ اللَّهِ وَعَلَى الْأَرْوَاحِ الَّتِي حَلَّتْ بِفِنَائِكَ ، عَلَيْكَ مِنِّي سَلاَمُ اللَّهِ أَبَدًا مَا بَقِيتُ وَبَقِيَ اللَّيْلُ وَالنَّهَارُ ، وَلاَ جَعَلَهُ اللَّهُ آخِرَ الْعَهْدِ مِنِّي لِزِيَارَتِكُمْ ، اَلسَّلاَمُ عَلَى الْحُسَيْنِ ، وَعَلَى عَلِيِّ بْنِ الْحُسَيْنِ وَعَلَى أَوْلَادِ الْحُسَيْنِ وَعَلَى أَصْحَابِ الْحُسَيْنِ . |
‘Vrede zij met u, o Abu ʿAbdillāh, en met de zielen die in uw hof verbleven; op u rust van mij de vrede van Allah voor altijd zolang ik leef en zolang dag en nacht blijven bestaan; moge Allah dit niet mijn laatste bezoek aan u maken; vrede zij met Ḥusayn, met ʿAlī zoon van Ḥusayn, met de kinderen van Ḥusayn en met de metgezellen van Ḥusayn.’ |
|
ثمّ تقول : |
Vervolgens zeg je: |
|
اَللَّهُمَّ خُصَّ أَنْتَ أَوَّلَ ظَالِمٍ بِاللَّعْنِ مِنِّي ، وَابْدَأْ بِهِ أَوَّلًا ، ثُمَّ الْعَنِ الثَّانِي وَالثَّالِثَ وَالرَّابِعَ ، اَللَّهُمَّ الْعَنْ يَزِيدَ خَامِسًا ، وَالْعَنْ عُبَيْدَ اللَّهِ بْنَ زِيَادٍ وَابْنَ مَرْجَانَةَ وَعُمَرَ بْنَ سَعْدٍ وَشِمْرًا وَآلَ أَبِي سُفْيَانَ وَآلَ زِيَادٍ وَآلَ مَرْوَانَ إِلَى يَوْمِ الْقِيَامَةِ . |
‘O Allah, richt de vloek van mij op de eerste tiran en begin eerst met hem; vervloek vervolgens de tweede, de derde en de vierde; o Allah, vervloek Yazīd als vijfde, en vervloek ʿUbayd Allāh ibn Ziyād, Ibn Marjāna, ʿUmar ibn Saʿd en Shimr, en de families van Abū Sufyān, Ziyād en Marwān tot de dag der opstanding.’ |
|
ثمّ تَسْجُدُ وَتَقُولُ : |
Daarna werp je je neer in prosternatie en zeg je: |
|
اَللَّهُمَّ لَكَ الْحَمْدُ حَمْدَ الشَّاكِرِينَ لَكَ عَلَى مُصَابِهِمْ ، اَلْحَمْدُ لِلَّهِ عَلَى عَظِيمِ رَزِيَّتِي ، اَللَّهُمَّ ارْزُقْنِي شَفَاعَةَ الْحُسَيْنِ يَوْمَ الْوُرُودِ ، وَثَبِّتْ لِي قَدَمَ صِدْقٍ عِنْدَكَ مَعَ الْحُسَيْنِ وَأَصْحَابِ الْحُسَيْنِ الَّذِينَ بَذَلُوا مُهَجَهُمْ دُونَ الْحُسَيْنِ عَلَيْهِ السَّلَامُ . |
‘O Allah, aan U behoort de lof — de lof van degenen die U dankbaar zijn voor hun beproevingen; lof zij Allah voor mijn grote leed. O Allah, schenk mij de voorspraak van Ḥusayn op de dag van de ontmoeting en bevestig voor mij een waarachtige stand bij U met Ḥusayn en de metgezellen van Ḥusayn die hun levens voor Ḥusayn hebben geofferd — vrede zij met hem.’ |