Een klassieke imamietische studie over het levende mirakel van de heilige Profeet (s), op basis van primaire bronnen en de pijlers van de sjiitische geleerdheid
Klik om de tekstversie te lezen
Imam ʿAlī (a): Het Grootste Wonder van de Boodschapper van Allah (s)
Een klassieke imamietische studie over het levende mirakel van de heilige Profeet (s), op basis van primaire bronnen en de pijlers van de sjiitische geleerdheid
Baqiyyat Allāh Instituut
november 2025
Inleiding
De Heilige Koran wordt in de islamitische traditie algemeen erkend als het grootste blijvende wonder van de heilige profeet Mohammed (s). Het is een goddelijk woord en het bewijs van zijn profeetschap voor alle generaties. Toch hebben klassieke imamietische geleerden – de theologen van de twaalversjiitische traditie – daarnaast vaak benadrukt hoe Imam ‘Alī ibn Abī Ṭālib (as) zelf beschouwd kan worden als het grootste levende wonder van de profeet Mohammed (s). Met “levend wonder” bedoelt men hier dat Imam ‘Alī’s gehele persoon, met zijn unieke eigenschappen, daden en kennis, een levend teken (āya) was dat de waarheid van de heilige Boodschapper (s) onderstreepte. In de klassieke sjiitische bronnen wordt Imam ‘Alī geportretteerd als iemand met uitzonderlijke goddelijke gaven – van zijn miraculeuze geboorte en ongeëvenaarde moed tot zijn onfeilbare wijsheid en kennis – die alleen verklaard kunnen worden vanuit zijn nauwe verbondenheid met de heilige Profeet (s) en diens goddelijke missie.
Deze theologische verhandeling zal onderzoeken hoe Imam ‘Alī (as) volgens klassieke imamietische bronnen wordt gepresenteerd als het grootste levende wonder van de heilige Profeet (s). We baseren ons uitsluitend op klassieke twaalversjiitische werken en auteurs. Zo komen onder meer uitspraken van gerenommeerde geleerden als Shaykh al-Mufīd, al-Sharīf al-Murtaḍā, Shaykh al-Ṭūsī, al-ʿAllāma al-Ḥillī, Khwāja Naṣīr al-Dīn al-Ṭūsī en al-ʿAllāma al-Majlisī aan bod, evenals overleveringen uit gezaghebbende sjiitische bronnen waaronder al-Kāfī, Nahj al-Balāgha, Kitāb al-Irshād, Madinat al-Maʿājiz, Biḥār al-Anwār en andere. In de volgende secties bekijken we achtereenvolgens (1) de wonderlijke omstandigheden rond Imam ‘Alī’s geboorte en jeugd, (2) zijn uitzonderlijke kennis en wijsheid, (3) zijn ongeëvenaarde moed en heroïsche daden, (4) specifieke miraculeuze gebeurtenissen verbonden aan Imam ‘Alī, en (5) de manier waarop al deze facetten hem in klassieke bronnen kenmerken als een levend wonder en bewijs van het profeetschap van de heilige Profeet (s). Een en ander wordt voorzien van voetnoten met verwijzingen naar de klassieke bronnen in kwestie, en afgesloten met een literatuurlijst in APA-stijl.
Wonderlijke geboorte en exclusieve eigenschappen
Imam ‘Alī (as) onderscheidt zich allereerst door de uitzonderlijke omstandigheden van zijn geboorte. Hij werd namelijk geboren in het allerheiligste islamitische heiligdom, de Ka‘ba in Mekka – een voorrecht dat, volgens de overlevering, door niemand vóór hem of na hem is gedeeld. Shaykh al-Mufīd (948–1022) vermeldt dit feit expliciet in zijn Kitāb al-Irshād en beschouwt het als een exclusieve eer en een teken van Imam ‘Alī’s bijzondere status[2]. In de sjiitische traditie wordt dit gezien als een voorteken van Imam ‘Alī’s heiligheid: zelfs zijn komst ter wereld ging gepaard met een wonder. Het heiligdom van de Ka‘ba spleet naar verluidt op mysterieuze wijze open om zijn moeder binnen te laten, waarna zij binnen de Ka‘ba beviel van Imam ‘Alī (as), om pas na enkele dagen met haar pasgeboren zoon weer naar buiten te treden[3]. Sjiitische bronnen benadrukken dat dit unieke voorval – door tientallen zowel sjiitische als soennitische bronnen overgeleverd – een goddelijke gunst was die exclusief Imam ‘Alī ten deel viel[2]. Al-Mufīd beschouwt het als één van Imam ‘Alī’s “exclusieve deugden” (khaṣāʾiṣ) en een vroeg bewijs van zijn door God verleende voorrang.
Naast zijn wonderbare geboorte worden in de klassieke literatuur ook Imam ‘Alī’s afkomst en opvoeding beschouwd als factoren die hem tot een levend wonder maken. Imam ‘Alī groeide vanaf jonge leeftijd op in het huishouden van de heilige profeet zelf. Volgens overleveringen nam de Profeet de jonge Imam ‘Alī in zijn zorg nog vóór de openbaring van de Islam begon, voedde hij hem op als een zoon, en leerde hij hem als eerste de islamitische geloofsprincipes toen de openbaring kwam. Zo was Imam ‘Alī al op zeer jeugdige leeftijd de allereerste man die de islam omarmde, wat hem de titel “Voorganger der Gelovigen” gaf[4][5]. Zijn hele opvoeding en karaktervorming vonden plaats onder direct toezicht van de Profeet – een unicum dat sjiitische auteurs presenteren als onderdeel van het wonder van Imam ‘Alī’s persoon. Immers, alleen een profeet van God kon zo’n volmaakte opvolger vormen. Shaykh al-Mufīd wijdt in Kitāb al-Irshād bijna de helft van zijn biografie aan het leven en de eigenschappen van Imam ‘Alī[6][7], waarmee hij impliciet aangeeft hoe centraal Imam ‘Alī’s persoonlijkheid staat als toonbeeld van de profetelijke missie. Al-Mufīd en andere geleerden benadrukken bijvoorbeeld dat Imam ‘Alī al van jongs af aan beschermd was tegen de afgoderij en morele corruptie van de pre-islamitische tijd, wat in hun ogen wijst op een aangeboren zuiverheid en geschiktheid om de heilige Profeet’s boodschap uit te dragen – wederom een godsbewijs in menselijke vorm.
Imam ‘Alī’s morele zuiverheid, onfeilbaarheid en deugden gelden binnen de imamietische doctrine als inherent aan zijn imamschap en bewijs van zijn bijzondere rol. Klassieke theologen zoals Sayyed al-Murtaḍā (965–1044) en Khwāja Naṣīr al-Dīn al-Ṭūsī (1201–1274) schreven dat een Imam door God uitverkoren en bewaard blijft van zonde, opdat hij een betrouwbaar licht voor de gemeenschap is. Zo stelt al-Ṭūsī in zijn theologische verhandeling Tajrīd al-Iʿtiqād dat de imam afḍal al-nās – de voortreffelijkste van de mensen – moet zijn in alle lofwaardige eigenschappen, aangezien niemand die inferieur is aan een ander, door God boven die ander zou worden aangesteld[8]. In commentaren op dit werk (zoals Kashf al-Murād van al-ʿAllāma al-Ḥillī) wordt verduidelijkt dat Imam ‘Alī inderdaad die voortreffelijkste persoon was: hij overtrof al zijn tijdgenoten in moed, kennis, vroomheid en rechtvaardigheid, waarmee hij voldeed aan de goddelijke criteria voor het leiderschap van de islamitische gemeenschap[9][10]. Al-Sharīf al-Raḍī (970–1016) – de verzamelaar van Nahj al-Balāgha – prees Imam ‘Alī’s karakter en woorden als zo verheven dat zij “boven de uitspraken van welk mens dan ook staan, en slechts onder doen voor het woord van God”[11]. Deze en vele andere attestaties in klassieke werken presenteren Imam ‘Alī’s volmaakte deugdenleer en morele zuiverheid als “een miraculeuze weerspiegeling van de heilige Profeet” zelf[12]. Met andere woorden: de persoon Imam ‘Alī is het levende bewijs van wat de profetelijke opvoeding en leiding kunnen voortbrengen.
Goddelijke kennis en wijsheid
Een van de meest prominente aspecten waarin Imam ‘Alī (as) als een levend wonder wordt gezien, is zijn kennis en wijsheid. Twelver-sjiitische bronnen schrijven aan Imam ‘Alī een ongeëvenaarde hoeveelheid kennis toe, direct ontvangen van de heilige Profeet (s). Een beroemd profetisch gezegde luidt: “Ik ben de stad van kennis en ‘Alī is haar poort.” In sjiitische (en vele soennitische) hadith-collecties wordt deze uitspraak authentiek overgeleverd[13], en zij dient al eeuwenlang als kernachtige samenvatting van Imam ‘Alī’s status als de voornaamste bewaarder van de profetische kennis. Klassieke geleerden leggen uit dat net zoals een stad alleen toegankelijk is via haar poort, de diepere koranische en profetische wijsheid alleen werkelijk toegankelijk is via Imam ‘Alī. Al-ʿAllāma al-Ḥillī (1250–1325) bijvoorbeeld, somt in Kashf al-Yaqīn talloze overleveringen op waarin de heilige Profeet Imam ‘Alī roemt om zijn kennis van het goddelijke boek en de wet. Hieruit concludeert hij dat Imam ‘Alī door God begiftigd was met ‘ilm ladunnī (goddelijke geïnspireerde kennis) die zijn tijdgenoten ver te boven ging.
Niet alleen in hadith, maar ook in de vorm van eigen uitspraken en verhandelingen van Imam ‘Alī zien klassieke auteurs een wonderbaarlijk aspect. Sharīf al-Raḍī’s compilatie Nahj al-Balāgha (“De Top van Welsprekendheid”) verzamelt de meest welsprekende preken, brieven en spreuken van Imam ‘Alī. Dit werk wordt al duizend jaar lang bewonderd om zijn ongeëvenaarde stilistische en intellectuele inhoud. Sterker nog, middeleeuwse geleerden wijzen erop dat Imam ‘Alī’s woorden een bovennatuurlijke kwaliteit bezitten: de beroemde mo‘tazilietische geleerde Ibn Abī l-Ḥadīd – zelf geen sjiiet, maar wel een bewonderaar van Imam ‘Alī – schreef in zijn commentaar op Nahj al-Balāgha dat Imam ‘Alī’s toespraken “zo eminent zijn dat ze boven de uitspraken van mensen staan en slechts onderdoen voor de woorden van God; zijn uitspraken zelf vormen een wonder van de Heilige Profeet”[11]. Met dat laatste doelt hij erop dat Imam ‘Alī’s unieke gave van wijsheid en welsprekendheid een voortzetting is van de profetische wonderen – alsof de Profeets’s waarheid zichtbaar wordt in de sublieme woorden die Imam ‘Alī sprak.
Uit Imam ‘Alī’s daden van wijs bestuur en rechtspraak tijdens het kalifaat leiden sjiitische bronnen evenzeer zijn bovenmenselijke kennis af. Er zijn talloze verhalen over Imam ‘Alī’s inzicht en oordeelskraft die als miraculeus worden gepresenteerd. Zo loste hij juridisch complexe vraagstukken en geschillen op die niemand anders kon doorgronden, en verklaarde hij geheimen van de kosmos en metafysica op een wijze die tijdgenoten versteld deed staan. Sjiitische hadith werken (bijvoorbeeld al-Kāfī van al-Kulaynī) bevatten hoofdstukken over de ‘ilm (kennis) van de imams, waarin overgeleverd wordt dat Imam ‘Alī zei: “Vraag mij alles voordat jullie mij verliezen, want ik heb meer kennis van de wegen van de hemelen dan van die op aarde.” Dergelijke tradities worden door geleerden als al-Mufīd en al-Majlisī uitvoerig aangehaald om te illustreren dat Imam ‘Alī door God begiftigd was met een grenzeloze kennis die alleen een ware opvolger van de heilige Profeet kon bezitten. Al-Majlisī (1616–1698) besteedt in Biḥār al-Anwār vele hoofdstukken aan de wetenschappelijke en spirituele wonderen van Imam ‘Alī – van zijn uitleg van de meest geavanceerde theologische concepten tot voorspellingen van toekomstige gebeurtenissen – als bewijs voor zijn door Allah geschonken inzicht. Het beeld dat uit al deze klassieke bronnen oprijst, is dat van Imam ‘Alī als de wijste der wijzen, wiens kennis en uitspraak altijd raak was. Zijn intellectuele genialiteit wordt daarmee opgevat als een levend mirakel van de heilige Profeet: het was immers de Profeet die Imam ‘Alī onderwees en inspireerde, en alleen door een Profeet kon een dergelijke zee aan kennis aan één persoon worden doorgegeven.
Ongeëvenaarde moed en heroïsche daden
Een ander domein waarin Imam ‘Alī (as) in klassieke sjiitische bronnen als wonderbaarlijk naar voren treedt, is dat van zijn moed, kracht en militaire daden. In de vroege islamitische geschiedenis staat Imam ‘Alī bekend als de onverschrokken kampioen van de islam – iets wat sjiitische werken verklaren vanuit zijn goddelijke bijstand en bijzondere rol. Zijn heldhaftigheid op het slagveld wordt bezongen in talloze verhalen en gedichten, en vaak expliciet bestempeld als karāmāt (eerbewijzen, wondertekenen) van God. Zo wordt overgeleverd (en algemeen aanvaard in zowel sjiitische als soennitische bronnen) dat tijdens de slag bij Badr en later bij Uhud de engel Gabriël uitriep: “Er is geen dappere jongeman behalve ‘Alī, en er is geen zwaard behalve Dhū l-Faqār!”[14] – waarmee hij Imam ‘Alī roemde als de ultieme held en zijn legendarische zwaard als het ultieme wapen. Deze uitspraak “Lā fatā illā ‘Alī” is blijven echoën in de literatuur als erkenning dat Imam ‘Alī’s moed en kracht van een andere orde waren, een teken van goddelijke steun aan de heilige Profeet (s).
Het meest iconische voorbeeld van Imam ‘Alī’s miraculeuze kracht is wellicht het veroveren van Khaybar. Tijdens de beslissende slag om het joodse fort Khaybar (7 AH / 628 n.Chr.) gaf de Profeet na eerdere mislukkingen de standaard (legerbanier) aan Imam ‘Alī, met de profetische belofte dat “God op zijn handen de overwinning zal schenken”[15][16]. Imam ‘Alī, die op dat moment met een oogontsteking kampte, genas op wonderbaarlijke wijze toen de heilige Profeet wat speeksel op zijn ogen streek[17], en hij ging het fort tegemoet. In de daaropvolgende strijd toonde Imam ‘Alī een bovenmenselijke kracht: hij versloeg de kampioen van Khaybar (Marhab) in een man-tegen-man gevecht, en vervolgens rukte hij eigenhandig de zware poort van het fort uit de hengsels[18][19]. Volgens overleveringen gebruikte Imam ‘Alī deze enorme deur zelfs als schild om de vijandelijke pijlen en slagen af te weren[20]. Na de overwinning wierp hij de poort achteloos terzijde in de gracht van het fort[20]. Pas toen Khaybar was ingenomen, probeerden meerdere soldaten samen die poort op te tillen – tevergeefs: naar men zegt waren er zeventig mannen voor nodig om het gevaarte überhaupt van de grond te krijgen[21][22]. Shaykh al-Mufīd vermeldt dit wonder in Kitāb al-Irshād, waarbij hij expliciet opmerkt dat dit geen gewone krachttoer was maar een “teken van de bijzondere bijstand die God aan Imam ‘Alī verleende”[23][24]. Ook al-Sharīf al-Murtaḍā verwijst in zijn eigen al-Amālī-lezingen naar deze gebeurtenis en noemt Imam ‘Alī’s overwinning en het oplichten van de poort een van zijn miraculeuze daden, die in de geschiedenis van de islam ongeëvenaard blijven[^1].
Naast Khaybar documenteren klassieke werken vele andere heroïsche wapenfeiten van Imam ‘Alī, telkens met een bovennatuurlijke aura. In de slag bij Khandaq (het “Greppelgevecht”) trad Imam ‘Alī bijvoorbeeld als enige strijder naar voren om de beruchte krijger ‘Amr bin ʿAbd Wudd te bekampen, op een moment dat angst de rest van het leger verlamde. Zijn zege daar wordt door de heilige Profeet bezongen met de woorden: “‘Alī’s slag met zijn zwaard op ‘Amr’s hoofd is meer waard dan de aanbidding van alle mensen en djinn tezamen” – een uitspraak die sjiitische bronnen citeren om te benadrukken dat Imam ‘Alī’s daden niet louter militaire wapenfeiten waren, maar daden van religieuze betekenis[14]. Ze waren als het ware wonderen op het slagveld, die de waarheid van de islam bevestigden.
Het fenomeen van Imam ‘Alī’s onoverwinnelijkheid wordt dan ook vaak vergeleken met de wonderen van eerdere profeten: net zoals Mozes (Mūsā) wonderen verrichtte met zijn staf, zo verrichtte de heilige Profeet wonderen door de persoon van Imam ‘Alī, die telkens wanneer hij het strijdperk betrad bovennatuurlijke triomf behaalde. Al-Majlisī verzamelt in Biḥār al-Anwār talloze overleveringen over engelen die zich hebben verwonderd over Imam ‘Alī’s moed, of hem zelfs terzijde stonden in de strijd. Zulke verhalen onderstrepen het sjiitische geloof dat Imam ‘Alī’s kracht een goddelijke dimensie had. Zijn zwaard, Dhū l-Fiqār, werd in de islamitische poëzie symbool van Gods overwinning via Imam ‘Alī. Kortom, op het terrein van moed en militaire kracht gold Imam ‘Alī in de klassieke imamietische visie als een levend wonder, een menselijk instrument waardoor God Zijn hulp aan de heilige Profeet manifesteerde.
Miraculeuze gebeurtenissen en wonderen
Behalve in zijn kennis en moed, worden ook concrete bovennatuurlijke gebeurtenissen rond Imam ‘Alī (as) in de bronnen geduid als tekenen van zijn wonderbaarlijke status. Een beroemde gebeurtenis, vaak aangehaald door klassieke geleerden, is het wonder van “Radd al-Shams” – het “terugkeren van de zon” voor Imam ‘Alī. De overlevering wil dat op een dag de heilige Profeet in de schoot van Imam ‘Alī lag te rusten, terwijl Imam ‘Alī daardoor zijn ʿaṣr-gebed (middaggebed) miste. Toen de Profeet ontwaakte en vernam dat Imam ‘Alī nog niet had gebeden, hief hij zijn handen en smeekte Allah om de zon een stukje terug te laten keren, zodat Imam ‘Alī alsnog op tijd zijn gebed kon verrichten[25]. En inderdaad, volgens de ooggetuige Asmā’ bint ʿUmays keerde de al ondergegane zon enkele graden terug aan de hemel, bleef staan tot Imam ‘Alī zijn gebed had voltooid, en ging toen weer onder – ditmaal gepaard met een zacht ratelend geluid dat Asmā’ beschreef als “het geluid van een zaag” toen de zon weer onder de horizon verdween[25].
Dit spectaculaire fenomeen is overgeleverd in diverse hadith-bronnen. Al-Kulaynī (gest. 941) neemt het op in al-Kāfī (via een overlevering van Imam Jaʿfar al-Ṣādiq die het verhaal vertelt in aanwezigheid van de genoemde Asmā’)[26]. Shaykh al-Ṭūsī en al-Shaykh al-Ṣadūq verwerken het eveneens in hun werken – wat aangeeft dat de vroegste sjiitische schriftgeleerden dit mirakel erkenden en doorvertelden[^2]. Shaykh al-Mufīd beschrijft Radd al-Shams uitvoerig in Kitāb al-Irshād, benadrukkend dat het hier ging om een uniek mirakel dat zowel het heilige karakter van Imam ‘Alī als de verheven status van de heilige Profeet illustreert[27][25]. Immers, in de islamitische geloofsleer geldt het stilstaan of terugdraaien van de zon als een zeer uitzonderlijk natuurverschijnsel, alleen toegestaan als teken voor grote godsmannen (zo wordt in de traditie vermeld dat een soortgelijk wonder eenmaal gebeurde voor de profeet Jozua/Yūshaʿ). Dat het voor Imam ‘Alī plaatsvond, bevestigt zijn status als walī Allāh (intieme vriend van God) en als iemand voor wie God de kosmische orde wilde aanpassen – een duidelijke legitimatie van zijn imamschap in de ogen van sjiitische geleerden. Al-ʿAllāma al-Majlisī haalt dit voorval aan in Biḥār al-Anwār onder de bijzondere voorrechten van Imam ‘Alī, compleet met verschillende ketens van overlevering die allen de geloofwaardigheid van het wonder ondersteunen[28]. Het verhaal van Radd al-Shams werd zo beroemd dat zelfs soennitische geleerden als al-Suyūṭī er traktaten aan wijdden, waarin ze het – zij het soms met aarzeling – als historisch incident erkennen[29][30]. Voor de sjiitische traditie staat dit wonder symbool voor de hemelse verbondenheid tussen de heilige Profeet en Imam ‘Alī: de zon draaide slechts terug op smeekbede van de Boodschapper en ten gunste van Imam ‘Alī, wat volgens al-Mufīd en anderen impliceert dat geen van beiden door Allah’s genade van het gebed werd uitgesloten – een teken van hun gezamenlijke uitverkiezing.
Een ander voorbeeld van een miraculeuze gebeurtenis rond Imam ‘Alī is de “Terugkeer van de Zon na Karbala”, in verband met Imam al-Ḥusayn’s martelaarschap. Sommige overleveringen – opgenomen door o.a. al-Majlisī – verhalen dat toen Imam ‘Alī’s zoon Imam al-Ḥusayn in Karbala (680 n.Chr.) was gesneuveld, de zon aan de hemel werd verduisterd of teruggekeerd als teken van rouw, totdat Imam ‘Alī’s andere zoon Imam ʿAlī Zayn al-ʿĀbidīn bad om verlichting, waarna het licht terugkeerde[^3]. Zo illustreren ze een patroon in de sjiitische devotionele literatuur: natuurverschijnselen als de zon, maan, wolken en wind worden voorgesteld als dienaren van of getuigen voor de Imams. Dit past in de gedachte dat de Imams, en in het bijzonder Imam ‘Alī als leider ervan, “meester over de schepping” zijn op een secundair niveau, onder God. In Madinat al-Maʿājiz (“Stad der Wonderen”), een compilatiewerk van al-Sayyed Hāshim al-Baḥrānī (gest. ca. 1696), worden talloze van zulke wonderverhalen opgesomd betreffende Imam ‘Alī. Enkele voorbeelden: ‘Alī die met een gebed een ernstige droogte beëindigt doordat er miraculeus regen komt; ‘Alī die in gesprek treedt met dieren en zelfs met een mythische wezen (zoals in een overlevering waarin een djinn getuigt van ‘Alī’s leiderschap); of ‘Alī die een bedelaar voorziet van voedsel dat rechtstreeks uit het paradijs werd gezonden[^4]. De intentie van zulke anekdotes in de literatuur is duidelijk: zij onderstrepen Imam ‘Alī’s wondermacht en presenteren hem als een ware nā’ib al-nabī (plaatsvervanger van de Profeet) aan wie God tekenen schonk ter bevestiging van zijn waarheid.
Het is veelzeggend dat klassieke sjiitische auteurs complete hoofdstukken of zelfs zelfstandige boeken aan Imam ‘Alī’s wondertekenen (muʿjizāt) wijdden. Zo heeft al-ʿAllāma al-Ḥillī naast theologische werken ook traktaten geschreven over de wonderen van Imam ‘Alī, en in Kashf al-Yaqīn behandelt hij onder meer Imam ‘Alī’s postume mirakelen[31] – gebeurtenissen na Imam ‘Alī’s martelaarschap waarbij zijn bijzondere status blijkt, zoals wonderbaarlijke genezingen bij zijn graf. Al-Majlisī besteedt in Biḥār al-Anwār volume na volume aan de faḍāʾil (voortreffelijkheden) van Imam ‘Alī, inclusief talloze wonderverhalen. Door deze overvloed aan documentatie wilden de geleerden aantonen dat Imam ‘Alī, net als eerdere profeten, tekenen van God kon verrichten ter ondersteuning van zijn rechtmatige gezag[32][33]. Zij zagen hierin de vervulling van de profetie dat elke profeet bijzondere wonderen heeft, en dat de Profeet van de islam naast de Koran ook miracula in persona kon tonen – in dit geval via de persoon van Imam ‘Alī, zijn meest nabije volgeling. De consistentie waarmee Imam ‘Alī in allerlei situaties (in kennis, in strijd, in natuurverschijnselen) boven het menselijke capaciteit uitstijgt, wordt zo geïnterpreteerd als geen toeval maar voorzienigheid.
Conclusie
In het voorgaande hebben we gezien hoe klassieke sjiitisch-imamietische bronnen Imam ‘Alī (as) portretteren als méér dan enkel een historische metgezel of opvolger van de profeet Mohammed (s): hij wordt beschreven als het grootste levende wonder van de Profeet (s). Zonder af te dingen aan de centrale positie van de Heilige Koran als het eeuwigdurende schriftuele mirakel[1], beschouwen deze bronnen Imam ‘Alī als het levende, menselijk belichaamde mirakel – een soort “wandelende Koran” en zichtbaar bewijs van de heilige Profeet’s profetische missie. Shaykh al-Mufīd en zijn tijdgenoten benadrukten Imam ‘Alī’s unieke geboorte in de Ka‘ba en exclusieve deugden als eerste aanwijzing dat zijn leven doordrenkt was van het goddelijke[2]. Vervolgens toonden ze aan hoe Imam ‘Alī’s verworven eigenschappen – ongeëvenaarde kennis, onfeilbaar oordeel, bovenmenselijke moed en spirituele kracht – allemaal teruggaan op de bijzondere rol die de heilige Profeet hem gaf, namelijk die van wāsi (bevoegde erfgenaam) en maula (mentor en meester) van de gelovigen[9][10].
De talloze anekdoten over miraculeuze gebeurtenissen rond Imam ‘Alī – van het terugdraaien van de zon[25] tot het eigenhandig opheffen van de poort van Khaybar[21][22] – zijn door klassieke geleerden gedocumenteerd niet louter als legendes, maar met de theologische insteek om te bewijzen dat Allah Zijn tekenen liet voortleven in de Ahl al-Bayt (de Huisgenoten van de Profeet). Imam ‘Alī ibn Abī Ṭālib neemt daarin de voornaamste plaats in. Zijn leven fungeert als een verlengstuk van de profetische wonderen: zijn woorden weerspiegelen de diepste koranische wijsheid, zijn daden manifesteren de goddelijke hulp in de vroege islam, en zijn persoonlijkheid vormt het levende bewijs van de volmaaktheid die de islamitische boodschap beoogt.
Klassieke imamietische denkers als al-Murtadhā en Naṣīr al-Dīn al-Ṭūsī zagen in Imam ‘Alī de belichaming van het ideale Imāmah-principe: de Imam is na de Profeet de hoogste gids, bekleed met zowel spirituele als wereldlijke voortreffelijkheid en gesteund door karāmāt (eervolle wonderen) die zijn door God gegeven autoriteit bevestigen[8]. Waar de Profeet zei “Wie mij heeft gezien, heeft het wonder gezien”, zou men in sjiitische bewoording bijna kunnen parafraseren: “Wie ‘Alī zag, zag een wonder van de Profeet”. In de ogen van de klassieke sjiitische geleerden is Imam ‘Alī dan ook niet alleen de rechtmatige opvolger van de heilige Profeet (s), maar zelf een goddelijk teken op aarde – een blijvend wonder dat de profetische waarheid door de tijd heen zichtbaar en tastbaar hield voor de mensheid.
Noten:
[^1]: Al-Murtaḍā, ʿAlī ibn al-Ḥusayn (2009). al-Amālī (Majālis al-Murtaḍā), sessie 2, blz. 7–8. Hierin wordt ‘Alī’s optreden bij Khaybar als wonderdaad besproken, zie ook Sharif al-Qurashī (2007) The Life of Ali ibn Abi Talib, p. 285.
[^2]: Al-Ṭūsī, Muḥammad ibn al-Ḥasan (1414 AH/1993). al-Amālī, vol. 2, blz. 126–130, met hadith over Radd al-Shams; Al-Ṣadūq, Muḥammad ibn ʿAlī (1385 AH/1966). ʿIlal al-Sharāyiʿ, Deel 2, p. 351 (Najaf: al-Maktaba al-Ḥaydarīya). Beide vermelden het terugkeren van de zon voor ‘Alī.
[^3]: Al-Majlisī, Muḥammad Bāqir (1983). Biḥār al-Anwār, vol. 45, p. 172 (Beiroet: Dār al-Wafā’) – een overlevering over verduistering van de zon na Karbala en ‘Alī Zayn al-ʿĀbidīns gebed waardoor de zon terugkeert.
[^4]: Al-Baḥrānī, Sayyed Hāshim (n.d.). Madīnat al-Maʿājiz, vol. 2, pp. 64–66. Hierin o.a. het verhaal van een paradijselijk voedsel dat via ‘Alī aan een bedelaar wordt gegeven; zie ook al-Majlisī, Biḥār al-Anwār, vol. 41, p. 149–164 voor meerdere wonderen van ‘Alī.
Literatuur
- Al-Baḥrānī, Sayyed Hāshim. (z.j.). Madīnat al-Maʿājiz (Stad der Wonderen). Qom: Maktabat al-Faqīh (compilatie van imāmī mirakelen).
- Al-Ḥillī, Jamāl al-Dīn Ḥasan (al-ʿAllāma al-Ḥillī). (1998). Kashf al-Yaqīn fī Faḍāʾil Amīr al-Muʾminīn (Certainty Uncovered: The Virtues of Imam ‘Alī) (vert. ‘Alī A. Aghili). Qom: Ansariyan.
- Al-Kulaynī, Muḥammad. (1987). al-Kāfī, Vol. 4 (Furūʿ al-Kāfī). Teheran: Dār al-Kutub al-Islāmiyya (geannoteerde uitg. A.A. Ghaffārī).
- Al-Majlisī, Muḥammad Bāqir. (1983). Biḥār al-Anwār, 2e ed., 110 dln. Beiroet: Dār al-Wafā’.
- Al-Mufīd, Muḥammad ibn Muḥammad. (1993). Kitāb al-Irshād (Het Boek van Leiding), vert. I.K.A. Howard. Beiroet: Dār al-Mufīd (2e druk).
- Al-Murtaḍā, ʿAlī ibn al-Ḥusayn (Sharīf al-Murtaḍā). (2009). al-Amālī (Majālis al-Murtaḍā). Qom: Markaz al-Ḥadīth (lezingen met tradities en uitleg).
- Al-Raḍī, Muḥammad ibn al-Ḥusayn (Sharīf al-Raḍī). (2004). Nahj al-Balāgha (Peak of Eloquence), vert. S. Reza. New York: Tahrike Tarsile Qur’an (verzameling preken, brieven en uitspraken van Imam ‘Alī).
- Al-Ṭūsī, Abu Jaʿfar Muḥammad (Shaykh al-Ṭūsī). (1414 AH/1993). Al-Amālī, 2 dln. Qom: Dār al-Thaqalayn.
- Al-Ṭūsī, Naṣīr al-Dīn. (1986). Tajrīd al-Iʿtiqād (The Abstract of Belief). Teheran: Tehran University Press (klassiek theologisch handboek; zie comm. Kashf al-Murād door al-Ḥillī).
- Ibn Abī l-Ḥadīd, ʿAbd al-Ḥamīd. (2007). Sharḥ Nahj al-Balāgha (Commentaar op Nahj al-Balāgha), ed. Muḥammad Abū l-Faḍl Ibrāhīm. Caïro: Dār al-Hadith.
- Sharif al-Qarashī, Baqir. (2007). The Life of Imām ‘Alī ibn Abī Ṭālib, vert. S. Muhammadi. Qom: Ansariyan Publications.
- Vali‐e‐Asr Institute. (2016). A Comparative Study of the Hadith of “Return of the Sun”. Qom: valiasr-aj.com (online artikel, gebruikt voor referenties van Radd al-Shams-bronnen).
[2] [3] Birth of Imam Ali (a) Inside the Ka’ba – wikishia
https://en.wikishia.net/view/Birth_of_Imam_Ali_(a)_Inside_the_Ka%27ba
[4] [5] [13] [14] Virtues of Imam Ali (a) – wikishia
https://en.wikishia.net/view/Virtues_of_Imam_Ali_(a)
[6] [7] Kitab al-Irshad – Wikipedia
https://en.wikipedia.org/wiki/Kitab_al-Irshad
[8] [9] [10] Allamah al-Hilli on Imamate in his Kashf al-Murad, Part 2 | Allamah al-Hilli on Imamate in his Kashf al-Murad, Part 2 | Al-Islam.org
[11] [12] Microsoft Word – Introduction to Nahjul Balagha.docx
https://academyofislam.com/wp-content/uploads/2020/12/Introduction-to-Nahjul-Balagha.pdf
[15] [16] [17] [18] [19] Imam ‘Ali’s Military Participations | The Life of Ali Ibn Abi Talib | Al-Islam.org
[20] [21] [22] [23] [24] themahdi.wiki
https://themahdi.wiki/english/books/kitab_al-irshad_part_1.pdf
[25] [26] [27] [28] [29] [30] [32] [33] A Comparative Study of Hadith of “Return of the Sun”
https://www.valiasr-aj.com/english/shownews.php?idnews=9
[31] Kashf al-Yaqin – Wikipedia