Arabisch-Nederlands, volledig en accuraat: vertaling, context, en bronkritische annotatie
Klik om de tekstversie te lezen
Al-Munājāt al-Shaʿbāniyyah
Arabisch-Nederlands, volledig en accuraat: vertaling, context, en bronkritische annotatie
Baqiyyat Allāh Instituut
februari 2026
Inleiding
Dit is een volledige Arabisch–Nederlandse paralleleditie van Al‑Munajat al‑Shaʿbāniyyah, strikt regel‑voor‑regel met een uitsluitend letterlijke (niet‑idiomatische) Nederlandse vertaling. De hoofdtekst is overgeleverd via Mafātīḥ al‑Jinān en is eerder opgenomen door al-Sayyed Raḍī al-Dīn ʿAlī ibn Mūsā ibn Jaʿfar Ibn Ṭāwūs [2] in Iqbal al-Aʿmāl (De Verrichtingen/Handelingen van de (heilige) tijden). [3] [4]
Voor de verificatie is de Islam4u‑tekst gecolleerd met de kritische (druk)traditie zoals zichtbaar in paginascans van Iqbal al‑Aʿmāl (pp. 295–299), waar zowel de toeschrijving via Ibn Khālawayh als een reeks variantenapparaat‑notities (خ ل) en glossen zijn opgenomen. [6]
De belangrijkste tekstkritische uitkomst is dat de Islam4u‑lezing (die expliciet via Mafātīḥ wordt verklaard) op meerdere plaatsen niet de hoofdlezing van Iqbal volgt, maar juist lezingen kiest die Iqbal als alternatieven noteert (bijv. ثوابي i.p.v. تراني, لعاقبتي i.p.v. لعافيتي, فقلت i.p.v. ففعلت). Deze keuzes beïnvloeden de letterlijke vertaling substantieel en worden daarom systematisch gemarkeerd en verantwoord met bronverwijzing. [7]
De Islam4u‑pagina presenteert de munājāt met een korte rubricering (“het is de munājāt van Amīr al‑Muʾminīn en de imams uit zijn nageslacht…”) gevolgd door de volledige tekst en een notenlijst. Die noten bevatten (a) variantlezingen (1–7, steeds met “ـ خ ـ”), (b) een expliciete verwijzing naar Iqbal al‑Aʿmāl (noot 8) en (c) een bronvermelding naar Mafātīḥ al‑Jinān (noot 9). [9]
Voor de verificatie is de tekst vergeleken met paginascans van Iqbal al‑Aʿmāl (pp. 295–299). Deze scanpagina’s zijn tekstueel bruikbaar en bevatten bovendien (i) een korte bio‑noot over Ibn Khālawayh met verwijzing naar Aḥmad ibn ʿAlī al-Najāshī, en (ii) verwijzing naar Miṣbāḥ al-Mutahajjid [11] van Shaykh al-Ṭūsī [12] als bronanker. [13]
De munājāt staat in de Twaalver (Imāmī) traditie in het corpus van duʿāʾ‑ en munājāt‑literatuur dat functioneert als performatieve vroomheid, identiteitsvorming en spirituele didactiek. Moderne academische literatuur over Imāmī liturgie beschrijft hoe deze teksten historisch werden verzameld, gekopieerd en in latere verzamelingen (zoals die van Shaykh ʿAbbās al-Qummī [14]) gestandaardiseerd; dit proces wordt expliciet verbonden met vroegere verzamelingen en met de transmissie‑cultuur van duʿāʾ/ziyāra‑teksten. [15]
Wat het auteurschap betreft: in Iqbal al‑Aʿmāl wordt expliciet gesteld dat Ibn Khālawayh deze tekst presenteerde als een munājāt van Imam ʿAlī ibn Abī Ṭālib en de imams uit zijn nageslacht (vrede zij met hen), met praktijkcontext “in Shaʿbān”. Iqbal geeft bovendien biografische gegevens over Ibn Khālawayh en citeert rijāl‑autoriteit (al‑Najāshī) om diens betrouwbaarheidsprofiel binnen de Imāmī traditie te kaderen. [16]
Genre‑matig is munājāt te begrijpen als “gefluisterd gebed”: direct aanspreken, vertrouwelijke toon, zelfontlediging, en een retorische opbouw van vlucht/berouw naar nabijheid en “licht”.
Binnen de fiqh‑matige status wordt deze munājāt doorgaans als mustaḥabb (aanbevolen) gerekend in de maand Shaʿbān via de aʿmāl‑rubrieken; tegelijk wordt in de Mafātīḥ‑traditie expliciet onderstreept dat zij “goed is om te reciteren bij حضور القلب (aanwezigheid van hart) wanneer dan ook”. Dit “niet exclusief‑Shaʿbān” argument wordt ook expliciet thematisch uitgewerkt: men wijst erop dat de inhoud zelf geen directe verwijzing naar de maand bevat en daarom breed toepasbaar is. [18]
De theologische “pijlers” van de tekst (afleidbaar uit de opeenvolging van segmenten) kunnen als volgt worden samengevat: (1) ṣalawāt‑opening en Goddelijke responsiviteit, (2) vlucht en afhankelijkheid, (3) Gods alwetendheid omtrent innerlijk en eindbestemming, (4) berouw en schaamte (satr/ʿafw), (5) hoop/ontzag, (6) verlangen naar liqāʾ (ontmoeting) en (7) culminatie in “kamāl al-inqiṭāʿ: de volkomen (of: volledige) onthechting” en het doorboren van “ḥujub al-nūr: de sluiers van het licht”. [21]
﴿ وَكَلْبُهُمْ بَاسِطٌ ذِرَاعَيْهِ بِالْوَصِيدِ ﴾
خادمُ بابِ حيدرَة وذَرَّةُ تُرابٍ تحتَ القُبَّةِ الذَّهَبِيَّةِ في النجف
Dienaar van de Poort van Ḥaydara én een stofdeeltje onder de gouden koepel in Najaf
Parallelle editie: Arabisch–Nederlands
|
Regel |
Arabisch |
Nederlands |
|---|---|---|
|
1 |
اللّهُمَّ صَلِّ عَلى مُحَمَّدٍ وَآلِ مُحَمَّدٍ |
O Allah, zend zegeningen over Muhammad en de familie van Muhammad. |
|
2 |
وَاسْمَعْ دُعائِي إذا دَعَوْتُكَ |
En hoor mijn smeekbede wanneer ik U aanroep. |
|
3 |
وَاسْمَعْ نِدائِي إِذا نادَيْتُكَ |
En hoor mijn roep wanneer ik U roep. |
|
4 |
وَاقْبِلْ عَلَيَّ إِذا ناجَيْتُكَ |
En wend U tot mij wanneer ik U vertrouwelijk toespreek. |
|
5 |
فَقَدْ هَرَبْتُ إِلَيْكَ |
Want ik ben naar U gevlucht. |
|
6 |
وَوَقَفْتُ بَيْنَ يَدَيْكَ |
En ik sta vóór U. |
|
7 |
مُسْتَكِيناً لَكَ، مُتَضَرِّعاً إِلَيْكَ¹ |
Onderworpen aan U, smekend tot U. |
|
8 |
راجِياً لِما لَدَيْكَ ثَوابِي² |
Hopend op wat bij U is: mijn beloning. |
|
9 |
وَتَعْلَمُ ما فِي نَفْسِي |
En U weet wat in mijn ziel is. |
|
10 |
وَتَخْبُرُ حاجَتِي |
En U kent mijn behoefte. |
|
11 |
وَتَعْرِفُ ضَمِيرِي |
En U kent mijn innerlijk. |
|
12 |
وَلا يَخْفى عَلَيْكَ أَمْرُ مُنْقَلَبِي وَمَثْوايَ |
En de zaak van mijn terugkeer en mijn verblijfplaats is niet verborgen voor U. |
|
13 |
وَما أُرِيدُ أَنْ أُبْدِيَ بِهِ مِنْ مَنْطِقِي |
En wat ik wil bekendmaken ermee van mijn spreken. |
|
14 |
وَأَتَفَوَّهُ بِهِ مِنْ طَلِبَتِي |
En wat ik ermee uitspreek van mijn verzoek. |
|
15 |
وَأَرْجُوهُ لِعاقِبَتِي³ |
En wat ik hoop voor mijn afloop. |
|
16 |
وَقَدْ جَرَتْ مَقادِيرُكَ عَلَيَّ يا سَيِّدِي |
En Uw beschikkingen zijn over mij verlopen, o mijn Heer. |
|
17 |
فِيما يَكُونُ مِنِّي إِلى آخِرِ عُمرِي |
In wat van mij zal zijn tot het einde van mijn leven. |
|
18 |
مِنْ سَرِيرَتِي وَعَلانِيَّتِي |
Van mijn verborgenheid en mijn openbaarheid. |
|
19 |
وَبِيَدِكَ لا بِيَدِ غَيْرِكَ زِيادَتِي وَنَقْصِي |
En in Uw hand, niet in de hand van een ander, is mijn toename en mijn vermindering. |
|
20 |
وَنَفْعِي وَضَرِّي |
En mijn nut en mijn schade. |
|
21 |
إِلهِي إِنْ حَرَمْتَنِي فَمَنْ ذا الَّذِي يَرْزُقُنِي |
Mijn God, als U mij onthoudt, wie is het dan die mij voorziet? |
|
22 |
وَإِنْ خَذَلْتَنِي فَمَنْ ذا الَّذِي يَنْصُرُنِي |
En als U mij in de steek laat, wie is het dan die mij helpt? |
|
23 |
إِلهِي أَعُوذُ بِكَ مِنْ غَضَبِكَ وَحُلُولِ سَخَطِكَ |
Mijn God, ik zoek toevlucht bij U tegen Uw toorn en het neerdalen van Uw ongenoegen. |
|
24 |
إِلهِي إِنْ كُنْتُ غَيْرَ مُسْتَأْهِلٍ لِرَحْمَتِكَ |
Mijn God, als ik niet waardig ben voor Uw barmhartigheid, |
|
25 |
فَأَنْتَ أَهْلٌ أَنْ تَجُودَ عَلَيَّ بِفَضْلِ سَعَتِكَ |
dan bent U waardig dat U mij begunstigt met de overvloed van Uw ruimheid. |
|
26 |
إِلهِي كَأَنِّي بِنَفْسِي وَاقِفَةٌ بَيْنَ يَدَيْكَ |
Mijn God, alsof ik met mijn zelf staande ben vóór U. |
|
27 |
وَقَدْ أَظَلَّها حُسْنُ تَوَكُّلِي عَلَيْكَ |
En het schaduwde haar: de goedheid van mijn vertrouwen op U. |
|
28 |
فَقُلْتَ ما أَنْتَ أَهْلُهُ⁴ |
Toen zei ik wat U waard bent. |
|
29 |
وَتَغَمَّدْتَنِي بِعَفْوِكَ |
En U omhulde mij met Uw vergiffenis. |
|
30 |
إِلهِي إِنْ عَفَوْتَ فَمَنْ أَوْلى مِنْكَ بِذلِكَ |
Mijn God, als U vergeeft, wie is er dan meer gerechtigd dan U daartoe? |
|
31 |
وَإِنْ كانَ قَدْ دَنا أَجَلِي |
En als mijn termijn nabij is, |
|
32 |
وَلَمْ يُدْنِنِي مِنْكَ عَمَلِي⁵ |
en mijn daad mij niet dicht bij U bracht, |
|
33 |
فَقَدْ جَعَلْتُ الاِقْرارَ بِالذَّنْبِ إِلَيْكَ وَسِيلَتِي |
dan heb ik de bekentenis van de zonde aan U gemaakt tot mijn middel. |
|
34 |
إِلهِي قَدْ جُرْتُ عَلى نَفْسِي فِي النَّظَرِ لَها |
Mijn God, ik heb onrecht gedaan aan mijn ziel in het kijken naar haar, |
|
35 |
فَلَهَا الوَيْلُ إِنْ لَمْ تَغْفِرْ لَها |
dus voor haar is het wee als U haar niet vergeeft. |
|
36 |
إِلهِي لَمْ يَزَلْ بِرُّكَ عَلَيَّ أَيَّامَ حَياتِي |
Mijn God, Uw goedheid heeft niet opgehouden over mij, de dagen van mijn leven, |
|
37 |
فَلا تَقْطَعْ بِرِّكَ عَنِّي فِي مَماتي |
snijd Uw goedheid dan niet af van mij in mijn sterven. |
|
38 |
إِلهِي كَيْفَ آيَسُ مِنْ حُسْنِ نَظَرِكَ لِي بَعْدَ مَماتِي |
Mijn God, hoe zou ik wanhopen aan de goede blik van U naar mij na mijn sterven |
|
39 |
وَأَنْتَ لَمْ تُوَلِّنِي إِلاّ الجَمِيلَ فِي حَياتِي |
terwijl U mij niet hebt toebedeeld behalve het mooie in mijn leven? |
|
40 |
إِلهِي تَوَلَّ مِنْ أَمْرِي ما أَنْتَ أَهْلُهُ |
Mijn God, neem van mijn zaak datgene op wat U waard bent, |
|
41 |
وَعُدْ عَلَيَّ بِفَضْلِكَ عَلى مُذْنِبٍ قَدْ غَمَرَهُ جَهْلُهُ |
en keer tot mij terug met Uw gunst over een zondaar: zijn onwetendheid heeft hem bedekt. |
|
42 |
إِلهِي قَدْ سَتَرْتَ عَلَيَّ ذُنُوبا فِي الدُّنْيا |
Mijn God, U hebt zonden over mij bedekt in de wereld, |
|
43 |
وَأَنا أَحْوَجُ إِلى سَتْرِها عَلَيَّ مِنْكَ فِي الآخرى |
en ik heb meer behoefte aan het bedekken ervan over mij van U in het Hiernamaals, |
|
44 |
إِذْ لَمْ تُظْهِرْها لاَحَدٍ مِنْ عِبادِكَ الصّالِحِينَ⁶ |
daar U ze niet hebt getoond aan iemand van Uw rechtschapen dienaren, |
|
45 |
فَلا تَفْضَحْنِي يَوْمَ القِيامَةِ عَلى رؤوسِ الاَشْهادِ |
stel mij dan niet te schande op de Dag van de Opstanding op de hoofden van de getuigen. |
|
46 |
إِلهِي جُودُكَ بَسَطَ أَمَلِي |
Mijn God, Uw vrijgevigheid heeft mijn hoop uitgestrekt, |
|
47 |
وَعَفْوُكَ أَفْضَلُ مِنْ عَمَلِي |
en Uw vergiffenis is beter dan mijn daad. |
|
48 |
إِلهِي فَسُرَّنِي بِلِقائِكَ يَوْمَ تَقْضِي فِيهِ بَيْنَ عِبادِكَ |
Mijn God, verblijd mij met Uw ontmoeting op de dag waarop U oordeelt tussen Uw dienaren. |
|
49 |
إِلهِي اعْتِذاري إِلَيْكَ اعْتذارُ مَنْ لَمْ يَسْتغْنِ عَنْ قَبُولِ عُذْرِهِ |
Mijn God, mijn verontschuldiging aan U is de verontschuldiging van wie niet buiten de aanvaarding van zijn excuus kan, |
|
50 |
فَاقْبَلْ عُذْرِي يا أكْرَمَ مَنْ اعْتَذَرَ إِلَيْهِ المُسِيئُونَ⁷ |
aanvaard dan mijn excuus, o Edelste van wie de kwaad‑doeners zich verontschuldigen bij hem. |
|
51 |
إِلهِي لاتَرُدَّ حاجَتِي |
Mijn God, wijs mijn behoefte niet af, |
|
52 |
وَلاتُخَيِّبْ طَمَعِي |
en stel mijn verlangen niet teleur, |
|
53 |
وَلاتَقْطَعْ مِنْكَ رَجائِي وَأَمَلِي |
en snijd niet af van U mijn hoop en mijn verwachting. |
|
54 |
إِلهِي لَوْ أَرَدْتَ هَوانِي لَمْ تَهْدِنِي |
Mijn God, als U mijn vernedering had gewild, had U mij niet geleid, |
|
55 |
وَلَوْ أَرَدْتَ فَضِيحَتي لَمْ تُعافِنِي |
en als U mijn schande had gewild, had U mij niet gespaard. |
|
56 |
إِلهِي ما أَظُنُّكَ تَرُدُّنِي فِي حاجَةٍ |
Mijn God, ik denk niet dat U mij afwijst in een behoefte |
|
57 |
قَدْ أَفْنَيْتُ عُمْرِي فِي طَلَبِها مِنْكَ |
waarvoor ik mijn leven heb verbruikt in het zoeken ervan van U. |
|
58 |
إِلهِي فَلَكَ الحَمْدُ أَبَداً أَبَداً |
Mijn God, dus voor U is de lof: eeuwig, eeuwig, |
|
59 |
دائِماً سَرْمَداً يَزِيدُ وَلا يَبِيدُ |
voortdurend, bestendig; hij neemt toe en hij vergaat niet, |
|
60 |
كَما تُحِبُّ وَتَرْضى |
zoals U liefhebt en tevreden bent. |
|
61 |
إِلهِي إِنْ أَخَذْتَنِي بِجُرْمِي أَخَذْتُكَ بِعَفْوِكَ |
Mijn God, als U mij grijpt vanwege mijn misdaad, grijp ik U vanwege Uw vergiffenis, |
|
62 |
وَإِنْ أَخَذْتَنِي بِذُنُوبِي أَخَذْتُكَ بِمَغْفِرَتِكَ |
en als U mij grijpt vanwege mijn zonden, grijp ik U vanwege Uw vergeving, |
|
63 |
وَإِنْ أَدْخَلْتَنِي النَّارَ أَعْلَمْتُ أَهْلَها أَنِّي اُحِبُّكَ⁸ |
en als U mij het Vuur doet binnengaan, laat ik haar bewoners weten dat ik U liefheb. |
|
64 |
إِلهِي إِنْ كانَ صَغُرَ فِي جَنْبِ طاعَتِكَ عَمَلِي⁹ |
Mijn God, als mijn daad klein is naast Uw gehoorzaamheid, |
|
65 |
فَقَدْ كَبُرَ فِي جَنْبِ رَجائِكَ أَمَلِي |
dan is mijn verwachting groot naast mijn hoop op U. |
|
66 |
إِلهِي كَيْفَ أَنْقَلِبُ مِنْ عِنْدِكَ بِالخَيْبَةِ مَحْرُوما |
Mijn God, hoe zou ik van bij U terugkeren met teleurstelling en beroofd |
|
67 |
وَقَدْ كانَ حُسْنُ ظَنِّي بِجُودِكَ أَنْ تَقْلِبَنِي بالنَّجاةِ مَرْحُوما |
terwijl mijn goede vermoeden over Uw vrijgevigheid was dat U mij doet omkeren met redding, begenadigd? |
|
68 |
إِلهِي وَقَدْ أَفْنَيْتُ عُمْرِي فِي شِرَّةِ السَّهْوِ عَنْكَ |
Mijn God, en ik heb mijn leven verbruikt in de gretigheid van de achteloosheid van U, |
|
69 |
وَأَبْلَيْتُ شَبابِي فِي سَكْرَةِ التَّباعُدِ مِنْكَ |
en ik heb mijn jeugd versleten in de dronkenschap van het ver‑af‑zijn van U; |
|
70 |
فَلَمْ أَسْتَيْقِظْ أَيَّامَ اغْتِرارِي بِكَ |
en ik ben in de dagen van mijn misleiding niet door U ontwaakt, |
|
71 |
وَرُكُونِي إِلى سَبِيلِ سَخَطِكَ |
en mijn leunen naar de weg van Uw ongenoegen. |
|
72 |
إِلهِي وَأَنا عَبْدُكَ وَابْنُ عَبْدِكَ قائِمٌ بَيْنَ يَدَيْكَ¹⁰ |
Mijn God, en ik ben Uw dienaar en de zoon van Uw dienaar, staande vóór U, |
|
73 |
مُتَوَسِّلُّ بِكَرَمِكَ إِلَيْكَ |
mij bemiddelend via Uw edelmoedigheid tot U. |
|
74 |
إِلهِي أَنا عَبْدٌ أَتَنَصَّلُ إِلَيْكَ |
Mijn God, ik ben een dienaar: ik maak mij los tot U |
|
75 |
مِمَّا كُنْتُ أُواجِهُكَ بِهِ مِنْ قِلَّةِ اسْتِحيائِي مِنْ نَظَرِكَ |
van dat waarmee ik U tegemoet trad, van de geringheid van mijn schaamte voor Uw blik, |
|
76 |
وَأَطْلُبُ العَفْوَ مِنْكَ إِذِ العَفْوُ نَعْتٌ لِكَرَمِكَ |
en ik vraag vergiffenis van U, daar vergiffenis een eigenschap is van Uw edelmoedigheid. |
|
77 |
إِلهِي لَمْ يَكُنْ لِي حَوْلٌ فَأَنْتَقِل بِهِ عَنْ مَعْصِيَتِكَ |
Mijn God, er was voor mij geen kracht zodat ik mij ermee verplaats van Uw ongehoorzaamheid, |
|
78 |
إِلاّ فِي وَقْتٍ أَيْقَظْتَنِي لِمَحَبَّتِكَ |
behalve in een tijd dat U mij wakker maakte voor Uw liefde; |
|
79 |
وَكَما أَرَدْتَ أَنْ أَكُونَ كُنْتُ |
en zoals U wilde dat ik zou zijn, was ik; |
|
80 |
فَشَكَرْتُكَ بإدْخالِي فِي كَرَمِكَ |
toen dankte ik U door mij binnen te brengen in Uw edelmoedigheid, |
|
81 |
وَلِتَطْهِيرِ قَلْبِي مِنْ أَوْساخِ الغَفْلَةِ عَنْكَ |
en om mijn hart te reinigen van het vuil van de achteloosheid van U. |
|
82 |
إِلهِي انْظُرْ إلى نَظَرَ مَنْ نادَيْتَهُ فَأَجابَكَ |
Mijn God, kijk naar mij met de blik van wie U riep en hij antwoordde U, |
|
83 |
وَاسْتَعْمَلْتَهُ بِمَعُونَتِكَ فَأَطاعَكَ |
en U gebruikte hem met Uw hulp, en hij gehoorzaamde U: |
|
84 |
يا قَرِيبا لايَبْعُدُ عَنْ المُغْتَرِّ بِهِ |
o Nabije die niet ver is van de misleide door Hem; |
|
85 |
يا جَواداً لايَبْخلُ عَمَّنْ رَجا ثَوابَهُ |
o Vrijgevige die niet gierig is tegenover wie Zijn beloning hoopt; |
|
86 |
إِلهِي هَبْ لِي قَلْبا يُدْنِيهِ مِنْكَ شَوْقُهُ |
mijn God, schenk mij een hart: zijn verlangen brengt het dichter bij U, |
|
87 |
وَلِسانا يُرْفَعُ إِلَيْكَ صِدْقُهُ¹¹ |
en een tong: zijn waarachtigheid wordt opgeheven naar U, |
|
88 |
وَنَظَراً يُقَرِّبُهُ مِنْكَ حَقُّهُ |
en een blik: zijn waarheid brengt hem dichter bij U. |
|
89 |
إِلهِي إِنَّ مَنْ تَعَرَّفَ بِكَ غَيْرُ مَجْهُولٍ |
Mijn God, waarlijk, wie door U bekendgemaakt is, kan niet onbekend zijn; |
|
90 |
وَمِنْ لاذَ بِكَ غَيْرُ مخْذُولٍ |
en wie bij U schuilt, is niet verlaten; |
|
91 |
وَمَنْ أَقْبَلْتَ عَلَيْهِ غَيْرُ مَمْلُوكٍ¹² |
en wie U zich tot hem wendt, is niet in bezit (van een ander); |
|
92 |
إِلهِي إنَّ مَنْ انْتَهَجَ بِكَ لَمُسْتَنِيرٌ |
Mijn God, voorwaar, wie via U het pad neemt, is zeker verlicht; |
|
93 |
وَإِنَّ مَنِ اعْتَصَمَ بِكَ لَمُسْتَجِيرٌ |
en voorwaar, wie zich vasthoudt aan U, is zeker iemand die bescherming zoekt; |
|
94 |
وَقَدْ لُذْتُ بِكَ يا إِلهِي¹³ |
en ik heb toevlucht gezocht bij U, o mijn God, |
|
95 |
فَلا تُخَيِّبْ ظَنِّي مِنْ رَحْمَتِكَ |
stel mijn verwachting van Uw barmhartigheid niet teleur, |
|
96 |
وَلا تَحْجُبْنِي عَنْ رَأفَتِكَ |
en sluit mij niet af van Uw ontferming. |
|
97 |
إِلهِي أَقِمْنِي فِي أَهْلِ وِلايَتِكَ مُقامَ مَنْ رَجا الزِّيادَةَ مِنْ محَبَّتِكَ |
Mijn God, vestig mij in de mensen van Uw wilāya als de standplaats van wie vermeerdering van Uw liefde hoopt. |
|
98 |
إِلهِي وَأَلْهِمْنِي وَلَها بِذِكْرِكَ إِلى ذِكْرِكَ |
Mijn God, en inspireer mij met hunkering door Uw gedenken naar Uw gedenken, |
|
99 |
وَهِمَّتِي فِي رَوْحِ نَجاحِ أَسْمائِكَ وَمَحَلِّ قُدْسِكَ¹⁴ |
en mijn aspiratie in de geest van het welslagen van Uw namen en de plaats van Uw heiligheid. |
|
100 |
إِلهِي بِكَ عَلَيْكَ إِلاّ أَلْحَقْتَنِي بِمَحَلِّ أَهْلِ طاعَتِكَ |
Mijn God, door U op U: dat U mij doet aansluiten bij de plaats van de mensen van Uw gehoorzaamheid, |
|
101 |
وَالمَثْوى الصَّالِحِ مِنْ مَرْضاتَِك |
en de goede verblijfplaats van Uw welbehagen; |
|
102 |
فَإِنِّي لا أَقْدِرُ لِنَفْسِي دَفْعاً |
want ik ben niet in staat voor mijzelf afweer, |
|
103 |
وَلا أَمْلِكُ لَها نَفْعاً |
en ik bezit voor haar geen nut. |
|
104 |
إِلهِي أَنا عَبْدُكَ الضَّعِيفُ المُذْنِبُ |
Mijn God, ik ben Uw zwakke, zondige dienaar, |
|
105 |
وَمَمْلُوكُكَ المُنِيبُ¹⁵ |
en Uw bezit/dienaar die terugkeert. |
|
106 |
فَلا تَجْعَلْنِي مِمَّنْ صَرَفْتَ عَنْهُ وَجْهَكَ |
Maak mij dan niet tot wie U Uw aangezicht van hem afwendde |
|
107 |
وَحَجَبَهُ سَهْوُهُ عَنْ عَفْوِكَ¹⁶ |
en zijn achteloosheid hem afschermde van Uw vergiffenis. |
|
108 |
إِلهِي هَبْ لِي كَمال الاِنقطاعِ إِلَيْكَ |
Mijn God, schenk mij de volmaaktheid van de volledige afsnijding naar U, |
|
109 |
وَأَنِرْ أَبْصارَ قُلُوبنا بِضِياءِ نَظَرِها إِلَيْكَ |
en verlicht de blikken van onze harten met de glans van hun kijken naar U, |
|
110 |
حَتّى تَخْرِقَ أَبْصارُ القُلُوبِ حُجُبَ النُّورِ |
totdat de blikken van de harten de sluiers van het licht doorboren, |
|
111 |
فَتَصِلَ إِلى مَعْدِنِ العَظَمَةِ |
zodat zij komt tot de bron van de grootsheid, |
|
112 |
وَتَصِيرَ أَرْواحُنا مُعَلَّقَةً بِعِزِّ قُدْسِكَ |
en onze zielen worden gehecht aan de macht/waardigheid van Uw heiligheid. |
|
113 |
إِلهِي وَاجْعَلْنِي مِمَّنْ نادَيْتَهُ فَأَجابَكَ |
Mijn God, en maak mij tot wie U riep en hij antwoordde U, |
|
114 |
وَلاحَظْتَهُ فَصَعِقَ لِجَلالِكَ |
en U hem aanzag, en hij bezweek voor Uw majesteit; |
|
115 |
فَناجَيْتَهُ سِرَّا |
zo sprak U hem vertrouwelijk toe, in het geheim, |
|
116 |
وَعَمِلَ لَكَ جَهْراً |
en hij handelde voor U openlijk. |
|
117 |
إِلهِي لَمْ اُسَلِّطْ عَلى حُسْنِ ظَنِّي قُنُوطَ الاَياسِ |
Mijn God, ik heb niet over mijn goede vermoeden de wanhoop van de vertwijfeling gemachtigd, |
|
118 |
وَلا انْقَطَعَ رَجائِي مِنْ جَميلِ كَرَمِكَ |
en mijn hoop is niet afgesneden van de schoonheid van Uw edelmoedigheid. |
|
119 |
إِلهِي إنْ كانَتِ الخَطايا قَدْ أَسْقَطَتْنِي لَدَيْكَ |
Mijn God, als de misstappen mij hebben doen vallen bij U, |
|
120 |
فَاصْفَحْ عَنِّي بِحُسْنِ تَوَكُّلِي عَلَيْكَ |
scheld mij dan kwijt door mijn goede vertrouwen op U. |
|
121 |
إِلهِي إِنْ حَطَّتْنِي الذُّنُوبُ مِنْ مَكارِمِ لُطْفِكَ |
Mijn God, als de zonden mij hebben neergelaten van de edele graden van Uw zachtmoedigheid, |
|
122 |
فَقَدْ نَبَّهَنِي اليَّقِينُ إِلى كَرَمِ عَطْفِكَ |
dan heeft de zekerheid mij gewekt naar de edelmoedigheid van Uw genegenheid. |
|
123 |
إِلهِي إِنْ أَنامَتْنِي الغَفْلَةُ عَنِ الاِسْتِعْدادِ لِلِقائِكَ |
Mijn God, als de achteloosheid mij deed inslapen van de voorbereiding voor Uw ontmoeting, |
|
124 |
فَقَدْ نَبَّهَتْنِي المَعْرِفَةُ بِكَرَمِ آلائِكَ |
dan heeft de kennis mij gewekt door de edelmoedigheid van Uw weldaden. |
|
125 |
إِلهِي إِنْ دَعانِي إِلى النَّارِ عَظِيمُ عِقابِكَ |
Mijn God, als de grootheid van Uw straf mij roept naar het Vuur, |
|
126 |
فَقَدْ دَعانِي إِلى الجَنَّةِ جَزِيلُ ثَوابِكَ |
dan heeft de overvloed van Uw beloning mij geroepen naar het Paradijs. |
|
127 |
إِلهِي فَلَكَ أَسْأَلُ |
Mijn God, dus aan U vraag ik, |
|
128 |
وَإِلَيْكَ أَبْتَهِلُ |
en tot U smeek ik, |
|
129 |
وَأَرْغَبُ |
en ik verlang, |
|
130 |
وَأَسْأَلُكَ |
en ik vraag U: |
|
131 |
أَنْ تُصَلِّيَ عَلى مُحَمَّدٍ وَآلِ مُحَمَّدٍ |
dat U zegeningen zendt over Muhammad en de familie van Muhammad, |
|
132 |
وَأَنْ تَجْعَلَنِي مِمَّنْ يُدِيمُ ذِكْرَكَ |
en dat U mij maakt tot wie Uw gedenken laat voortduren, |
|
133 |
وَلايَنْقُضُ عَهْدَكَ |
en Uw verbond niet verbreekt, |
|
134 |
وَلايَغْفَلُ عَنْ شُكْرِكَ |
en niet achteloos is over Uw dank, |
|
135 |
وَلا يَسْتَخِفُّ بِأَمْرِكَ |
en Uw bevel niet gering acht. |
|
136 |
إِلهِي وَأَلْحِقْنِي بِنُورِ عِزِّكَ الاَبْهَجِ¹⁷ |
Mijn God, en voeg mij toe aan het meest schitterende licht van Uw eer, |
|
137 |
فَأَكُونَ لَكَ عارِفاً |
zodat ik voor U een kenner ben, |
|
138 |
وَعَنْ سِواكَ مُنْحَرِفاً |
en van alles behalve U afgewend, |
|
139 |
وَمِنْكَ خائِفاً مُراقِباً |
en voor U bevreesd, waakzaam; |
|
140 |
يا ذا الجَلالِ وَالاِكْرامِ |
o Bezitter van Majesteit en Edelmoedigheid, |
|
141 |
وَصلَّى الله عَلى مُحَمَّدٍ رَسُولِهِ |
en moge Allah zegenen Muhammad, Zijn boodschapper, |
|
142 |
وَآلِهِ الطَّاهِرينَ |
en zijn reine familie, |
|
143 |
وَسَلَّمَ تَسْلِيماً كَثِيراً |
en vrede schenken met een overvloedige vrede. |
Bronnenlijst
Ibn Ṭāwūs, R. al‑D. (1414 AH/1993–1994). إقبال الأعمال (J. al‑Qayyūmī al‑Iṣfahānī, Ed.). Qom: Maktab al‑Iʿlām al‑Islāmī. (Paginascans pp. 295–299). [47]
المجمع العالمي للتقريب بين المذاهب الإسلامية[48]. (z.d.). Digitale bibliotheekweergave: إقبال الأعمال (print‑/PDF‑interface). [49]
Islam4u. (z.d.). المناجاة الشعبانية. [22]
Al‑Seraj Network. (z.d.). أعمال شهر شعبان العامة: المناجاة الشعبانية (Mafātīḥ‑traditiepresentatie). [50]
Shomali, Mohammad Ali Shomali[51]. (2016). Reflections on Munajat Shaʿbaniyyah. Message of Thaqalayn, 17(1). (Webpublicatie via Al‑Islam.org). [17]
Khetia, Vinay Khetia[52]. (2022). A Study of the Textual History, Doctrinal Content and Philosophy of Twelver Shīʿī Liturgy from the Period of the Imāms to ʿAbbās al‑Qummī (PhD‑proefschrift, McMaster University[53]). [15]
[2] [3] [4] [7] [9] [14] [18] [21] [22] [24] [25] [26] [29] [30] [31] [33] [34] [35] [36] [37] [38] [52] [53] [56] https://www.islam4u.com/ar/maghalat/%D8%A7%D9%84%D9%85%D9%86%D8%A7%D8%AC%D8%A7%D8%A9-%D8%A7%D9%84%D8%B4%D8%B9%D8%A8%D8%A7%D9%86%D9%8A%D8%A9
[6] [13] [16] https://mail.taghrib.org/ar/library/pdf/9521/1193
[10] [59] https://www.w3.org/International/articles/inline-bidi-markup/uba-basics
[11] [27] https://mail.taghrib.org/ar/library/pdf/9521/1195
[12] [17] https://al-islam.org/message-thaqalayn/vol-17-no-1-spring-2016/reflections-munajat-shabaniyyah-shomali/reflections
[15] [19] [51] https://macsphere.mcmaster.ca/bitstreams/9e2f28d0-2c9a-4e9c-8fa3-b85cd2bd98b7/download
[20] [48] [63] https://www.islam4u.com/ar/almojib/%D9%85%D8%A7-%D9%87%D9%88-%D9%85%D8%B9%D9%86%D9%89-%D9%85%D8%B5%D8%B7%D9%84%D8%AD-%D8%B1%D8%AC%D8%A7%D8%A1-%D8%A7%D9%84%D9%85%D8%B7%D9%84%D9%88%D8%A8%D9%8A%D8%A9%D8%9F
[23] https://mail.taghrib.org/ar/library/pdf/9521/1194
[28] [32] https://mail.taghrib.org/ar/library/pdf/9521/1196
[47] [49] https://mail.taghrib.org/ar/library/print/9521/4
[50] https://alseraj.net/%D9%85%D9%81%D8%A7%D8%AA%D9%8A%D8%AD_%D8%A7%D9%84%D8%AC%D9%86%D8%A7%D9%86/%D8%A3%D8%B9%D9%85%D8%A7%D9%84-%D8%B4%D9%87%D8%B1-%D8%B4%D8%B9%D8%A8%D8%A7%D9%86-%D8%A7%D9%84%D8%B9%D8%A7%D9%85%D8%A9/