[50] Imam ʿAlī (a): De Volmaaktste Krijger van de Eerste tot de Laatste der Mensheid

Goddelijke bevestiging van zijn ongeëvenaarde status in openbaring, traditie en geschiedenis

Klik om de tekstversie te lezen

Imam ʿAlī (a): De Volmaaktste Krijger van de Eerste tot de Laatste der Mensheid

Goddelijke bevestiging van zijn ongeëvenaarde status in openbaring, traditie en geschiedenis

Baqiyyat Allāh Instituut
december 2025

Inleiding

Imam ʿAlī ibn Abī Ṭālib (a) – de rechtmatige opvolger, neef en schoonzoon van de heilige profeet Mohammed (s) – staat in de islamitische traditie bekend om zijn ongeëvenaarde moed, fysieke kracht en krijgskunst. Van de vroege veldslagen van de islam tot zijn eigen kalifaat, onderscheidde Imam ʿAlī zich consequent als de grootste held op het slagveld. Zijn daden en wonderbaarlijke overwinningen worden uitvoerig beschreven in klassieke imamitische (sji’itische) bronnen zoals Madīnat al-Maʿājiz, Dalāʾil al-Imāmah en Bihār al-Anwār, alsook in de werken van vooraanstaande imamitische geleerden als Shaykh al-Mufīd, ʿAllāma al-Ḥillī, Shaykh al-Ṭūsī en ʿAllāma al-Majlisī. In deze bronnen wordt Imam ʿAlī afgeschilderd als “de meest complete krijger” aller tijden – van de eerste mens tot de laatste – een status die door Allah Ta’ālā Zelf is bevestigd[^1].

In dit onderzoek zullen wij de historische en theologische bewijzen uiteenzetten voor Imam ʿAlī’s unieke positie als onovertroffen strijder. We behandelen de beroemde veldslagen uit de vroege islam waarin Imam ʿAlī’s heldhaftigheid de doorslag gaf, bespreken goddelijke attesten van zijn superioriteit en weerleggen ten slotte bepaalde mythen van de mukhālifīn (tegenstanders van de Imamiyya) – met name het geromantiseerde beeld van de soennitische held Khālid ibn al-Walīd als “ultieme krijger”. Integendeel zal blijken hoe Imam ʿAlī deze zogenoemde “Zwaard van Allah” meermaals heeft vernederd en de onwaarheden over Khālid’s vermeende onoverwinnelijkheid ontmaskerd, ondersteund door zowel imamitische bronnen als bevestigende overleveringen uit soennitische hoek (zij het dat laatstgenoemde vooral dienen als bevestiging van wat de Imamiyya al heeft overgeleverd, en niet als onafhankelijke bewijslast).

Kortom, dit werk is polemisch van aard en baseert zich op feitelijke overleveringen en argumenten. We zullen zien dat alle roem die sommigen proberen toe te kennen aan figuren als Khālid ibn al-Walīd in het niet valt bij de ware heldhaftigheid van Imam ʿAlī (a), die door vriend en vijand – en door God Almachtig – is erkend als de dapperste en meest volmaakte strijder uit de geschiedenis.

﴿ وَكَلْبُهُمْ بَاسِطٌ ذِرَاعَيْهِ بِالْوَصِيدِ ﴾

خادمُ بابِ حيدرَة وذَرَّةُ تُرابٍ تحتَ القُبَّةِ الذَّهَبِيَّةِ في النجف

Dienaar van de Poort van Ḥaydara én een stofdeeltje onder de gouden koepel in Najaf

Imam ʿAlī’s ongeëvenaarde moed in de vroege islamitische veldslagen

Onder leiding van de profeet Mohammed (s) speelde Imam ʿAlī (a) een hoofdrol in vrijwel alle grote veldslagen van de vroege islam. Historici vermelden dat de Profeet zijn jonge neef ʿAlī in achttien veldslagen aan zijn zijde liet vechten, en opmerkelijk genoeg werd ʿAlī nooit door de Profeet onder bevel van een ander geplaatst[^2]. Integendeel, Imam ʿAlī trad steevast op als vaandeldrager en als hoofdheld van de moslims in iedere beslissende confrontatie[^3]. We belichten enkele prominente slagen om zijn unieke krijgerschap te illustreren:

  • Slag bij Badr (2 AH / 624 n.Chr.) – Dit was de eerste grote veldslag tussen de kleine islamitische gemeenschap in Medina (ca. 313 man) en een veel grotere Mekkaanse legermacht. Ondanks de enorme overmacht van de tegenstander, behaalden de moslims een wonderbaarlijke overwinning. Imam ʿAlī’s aandeel hierin was buitengewoon. In het traditionele Arabische duel vooraf doodde de jonge ʿAlī de Mekkaanse kampvechter al-Walīd (zoon van ʿUtba) in een tweekamp, en stortte hij zich daarna in de algemene strijd[^4]. Volgens overleveringen doodde Imam ʿAlī eigenhandig bijna de helft van de gesneuvelde vijanden[^5] – sjiitische en soennitische geschiedschrijvers noteren dat van circa zeventig omgekomen tegenstanders er dertig of meer door ʿAlī’s zwaard vielen[^5]. Dankzij deze moedige inspanning, naast goddelijke bijstand, keerden de kansen ten gunste van de moslims en werd Badr de doorbraak voor de jonge islamitische staat[^6]. Het fundament van de islamitische overwinning bij Badr is dus onlosmakelijk verbonden met Imam ʿAlī’s heldendom, hetgeen door zowel sjiitische als sommige soennitische bronnen wordt erkend.
  • Slag bij Uḥud (3 AH / 625 n.Chr.) – Een jaar na Badr namen de Mekkanen wraak bij de berg Uḥud. Aanvankelijk verliep de strijd gunstig voor de moslims: opnieuw trad Imam ʿAlī naar voren voor duelgevechten. Hij versloeg de beruchte Ṭalḥa ibn Abī Ṭalḥa (de vaandeldrager van Quraish) met één slag, waarbij Ṭalḥa’s hoofd van zijn lichaam werd gescheiden[^7]. Vervolgens doodde Imam ʿAlī meerdere opvolgende krijgers uit Ṭalḥa’s clan die het vaandel probeerden te dragen – stuk voor stuk waren zij geen partij voor ʿAlī[^8]. Imam ʿAlī’s onstuitbare optreden demoraliseerde de vijandelijke linies, die op de vlucht sloegen[^9]. Helaas keerde het tij toen een deel van de moslimboogschutters ongehoorzaam hun post verliet en Khālid ibn al-Walīd (destijds nog strijder aan Mekkaanse zijde) met zijn ruiterij de moslims in de rug aanviel[^10]. In de daaropvolgende chaos leden de moslims zware verliezen: de Profeet raakte gewond, velen vluchtten en zelfs de grote Ḥamza (a) – Imam ʿAlī’s oom – werd gemarteld en gedood op een sluwe oneervolle wijze door Wahshī (la) op bevel van Hind bint ʿUtba (la), de vrouw van Abū Sufyān en moeder van Muʿāwiya (la).

Imam ʿAlī onderscheidde zich op dat kritieke moment opnieuw. Terwijl sommigen dachten dat de Profeet gesneuveld was en in paniek wegvluchtten, bleef Imam ʿAlī standvastig bij de Profeet. Hij beschermde het lichaam van de Profeet eigenhandig tegen herhaalde aanvallen en riep de verspreide moslims weer bij elkaar door zijn voorbeeld van moed en zelfopoffering[^11]. Er wordt overgeleverd dat zelfs de engel Djibra’īl (Gabriël) en de hemelse legioenen getuige waren van Imam ʿAlī’s unieke rol tijdens deze crisis en in bewondering uitriepen: “Lā fatā illā ʿAlī, lā sayfa illā Ḏū l-Fiqār”“Er is geen held (fatā) behalve ʿAlī, en er is geen zwaard behalve (het zijne) Ḏū l-Fiqār!”[^12]. Deze beroemde Arabische spreuk – die in zowel imamitische als soennitische bronnen voorkomt – bevestigt Imam ʿAlī’s positie als de enige ware held van Uḥud. Het zwaard Ḏū l-Fiqār, dat Imam ʿAlī van de Profeet kreeg, werd daarmee hét symbool van de overwinning die door ʿAlī’s moed mogelijk werd gemaakt. Dankzij Imam ʿAlī’s optreden wist de Profeet het slagveld levend te verlaten en een totale ramp af te wenden.

  • Slag bij de Gracht (Khandaq) / Oorlog van de Confederatie (5 AH / 627 n.Chr.) – In deze veldslag stonden de moslims tegenover een coalitie van Mekkanen en bondgenoten die Medina belegerden. De moslims groeven een brede gracht om de vijand buiten de stad te houden. Slechts op één nauwe doorgang wisten enkele Mekkaanse elite-strijders door te breken, onder hen de gevreesde krijger ʿAmr bin ʿAbd Wudd – iemand die bekendstond als gelijkwaardig aan duizend ruiters in kracht. ʿAmr daagde de moslims uit tot een één-gevecht, maar van de metgezellen durfde niemand hem te bekampen… behalve Imam ʿAlī (die toen circa 27 jaar oud was). De Profeet gaf Imam ʿAlī toestemming om de uitdaging aan te nemen ondanks ʿAmr’s beruchte reputatie. In het daaropvolgende duel wist Imam ʿAlī, na een hevig gevecht, ʿAmr te doden – een overwinning die een keerpunt betekende: de vijand verloor haar moraal en de belegering viel uit elkaar. Over deze gebeurtenis is een veelzeggende overlevering opgetekend. De Profeet Mohammed (s) heeft hierover gezegd: “Waarlijk, de slag (of: de klap van het zwaard) van ʿAlī op de dag van Khandaq is beter dan de aanbidding van de twee gewichten (mens en djinn) tot aan de Dag des Oordeels.”[^13] Met andere woorden, één enkele daad van Imam ʿAlī’s moed en toewijding woog zwaarder bij Allah dan de collectieve vroomheid van alle schepselen samen. Dit profetische woord – dat imamitische bronnen als Bihār al-Anwār en zelfs soennitische kronieken vermelden – onderstreept theologisch dat Imam ʿAlī’s heldendaad bij Khandaq van ongekende spirituele en historische betekenis was[^13]. Het bevestigt dat geen enkele daad van aanbidding of heldhaftigheid van anderen kan tippen aan Imam ʿAlī’s opoffering en moed op dat moment. Niet voor niets is de slag bij de Gracht een keerpunt: het verbond van vijanden werd uiteengeslagen en de jonge islamitische gemeenschap overleefde wederom dankzij Imam ʿAlī’s zwaard.
  • Slag bij Khaybar (7 AH / 628 n.Chr.) – De Joodse vesting Khaybar, bekend om haar schijnbaar onneembare forten en sterke krijgers, werd uiteindelijk ingenomen onder leiding van Imam ʿAlī (a). Overgeleverd wordt dat de heilige Profeet (s), nadat eerdere bevelhebbers (volgens soennitische ḥadith o.a. Abū Bakr en daarna ʿOmar) faalden om de beslissende vesting in te nemen, zei: “Morgen zal ik de banier geven aan een man die Allah en Zijn Boodschapper liefheeft, en die door Allah en Zijn Boodschapper geliefd wordt. Hij zal aanvallen zonder weg te vluchten (karrār ghayr farrār), en Allah zal ons door hem de overwinning schenken.”[^14] Die volgende ochtend gaf de Profeet de vlag aan Imam ʿAlī. Imam ʿAlī versloeg in de strijd de legendarische strijders van Khaybar, waaronder de kampioen Marḥab (wiens zwaard naar verluidt duizenden wonden had toegebracht). Het meest gedenkwaardige wonder van Khaybar was echter Imam ʿAlī’s bovennatuurlijke kracht bij het veroveren van de poort van het fort. In het heetst van de strijd hief Imam ʿAlī de gigantische ijzeren poort van Khaybar eigenhandig uit de scharnieren, gebruikte hem als schild en vervolgens als brug over de gracht, zodat de moslimstrijders de vesting konden betreden[^15][^16]. Later probeerden acht man gezamenlijk diezelfde poort op te tillen, maar zij konden hem nog niet verplaatsen[^17]. Zowel sjiitische als soennitische vertellingen beschouwen dit als een wonder (karāma) gegeven door Allah Ta’ālā aan Imam ʿAlī. Zo vermeldt Shaykh al-Ṣadūq in zijn vermaarde al-Amālī dat Ibn ʿUmar zei: “Wij verwonderden ons niet over het feit dat Allah Khaybar door ʿAlī liet openen, maar wél over het feit dat hij de poort (van het fort) uit de grond rukte en veertig el ver weg wierp – en dat veertig mannen nadien die poort niet eens konden optillen!”[^15] De bekende geleerde ʿAllāma al-Majlisī levert een overlevering waarin zelfs Abū Bakr toegaf hoe verbazingwekkend Imam ʿAlī’s kracht was: Abū Bakr zei dat hij bij de Profeet (s) stond toen Imam ʿAlī de poort uit de grond rukte. De Profeet (s) lachte van vreugde bij het zien van ʿAlī’s overwinning, maar begon daarna tranen te vergieten. Op Abū Bakrs vraag waarom hij lachte én weende tegelijk, antwoordde de Profeet: “Ik was blij vanwege ʿAlī’s overwinning en het uitrukken van de poort van Khaybar, maar ik huilde uit medelijden met ʿAlī. Hij heeft die poort slechts met zijn blote hand uit de grond gerukt terwijl hij al drie dagen niets anders had gegeten dan water. Als hij gegeten had, zou hij de poort van Khaybar nog veel verder hebben weggeslingerd!”[^16]. Deze opmerkelijke anekdote – overgeleverd door al-Majlisī in Bihār al-Anwār – illustreert enerzijds Imam ʿAlī’s bovenmenselijke kracht en anderzijds zijn ascetische opofferingsgezindheid (vechtend op een lege maag). Zelfs zijn tegenstanders konden niet anders dan zich verbazen: historisch is overgeleverd dat tijdens of na Khaybar vele moslims maar ook neutralen getuigden dat zo’n krijger als Imam ʿAlī (a) nog nooit was vertoond. De bijnaam Asadullāh (Leeuw van Allah) die Imam ʿAlī draagt, vindt in Khaybar zijn volle rechtvaardiging.
  • Andere expedities en veldtochten (6–10 AH) – Naast deze grote slagen nam Imam ʿAlī (a) deel aan diverse expedities. Zo werd hij door de Profeet (s) naar Jemen gestuurd waar hij stammen zonder slag of stoot tot de islam bekeerde (wat getuigt van zowel zijn diplomatieke als militaire talent). In de Slag bij Ḥunayn (8 AH), waar de moslims aanvankelijk in een hinderlaag liepen en in paniek vluchtten, was Imam ʿAlī wederom een van de weinigen die standhielden bij de Profeet[^18]. Zijn standvastigheid droeg bij aan het hergroeperen van het leger en de uiteindelijke overwinning op de Hawāzin. Ten slotte kunnen we ook wijzen op de Verovering van Mekka (8 AH) – hoewel daar relatief weinig gevochten is, was Imam ʿAlī belast met delicate missies (zoals het verwijderen van afgodsbeelden uit de Kaʿba). Bij de latere veldslag van Tabūk (9 AH) bleef Imam ʿAlī op aanwijzing van de Profeet als diens vertegenwoordiger in Medina achter, waarop de beroemde uitspraak van de Profeet volgde: “Ali, jouw verhouding tot mij is als die van Hārūn tot Mūsā, behalve dat er na mij geen profeet is.” Deze vergelijking met de Bijbelse aartskrijger-profeet Hārūn (Aäron) benadrukte nogmaals Imam ʿAlī’s hoogverheven status. Hoewel Tabūk zelf geen strijd kende (de vijand trok zich terug), toont dit incident dat de Profeet Imam ʿAlī onmisbaar achtte – óf op het slagveld, óf op het thuisfront als zijn plaatsvervanger.

Uit het bovenstaande overzicht blijkt duidelijk dat Imam ʿAlī (a) in elke cruciale fase van de vroege islam de doorslaggevende kracht was die de zaak van de islam verdedigde en liet zegevieren. Geen andere metgezel van de Profeet (s) heeft zo consequent en op zo’n jonge leeftijd zoveel sleutelrollen gespeeld in de jihād. Shaykh al-Mufīd benadrukt in zijn biografie van Imam ʿAlī dat “het merendeel van de overwinningen van de moslims tot stand kwam door de arm van ʿAlī”[^5]. Moderne historici erkennen dit eveneens: zonder Imam ʿAlī’s zwaard zou de loop van de islamitische geschiedenis er heel anders uitgezien hebben.

Goddelijke attestatie van Imam ʿAlī’s superioriteit als strijder

Imam ʿAlī’s ongeëvenaarde dapperheid is niet alleen een kwestie van historiografie, maar wordt in de imamitische traditie ook theologisch verklaard en ondersteund door goddelijke attestaties. Met andere woorden, Allah Ta’ālā Zelf heeft getuigd van Imam ʿAlī’s unieke status en zijn superioriteit boven alle andere krijgers. Enkele belangrijke punten die dit illustreren:

  1. Openbaring van de Koran over Imam ʿAlī’s zelfopoffering: Toen de Profeet (s) in 622 n.Chr. ’s nachts uit Mekka moest migreren (de Hijra) om aan een moordaanslag te ontsnappen, was het Imam ʿAlī (a) die bereidwillig in het bed van de Profeet sliep om de vijanden te misleiden en zo het leven van de Profeet te redden. Deze nacht staat bekend als Laylat al-Mabīt (“de Nacht van het [in iemand anders’ plaats] verblijven”). Terwijl de samenzweerders rond het huis van de Profeet stonden om hem te doden, lag Imam ʿAlī rustig op zijn plaats, wetende dat hij zijn eigen leven riskeerde. Over deze gebeurtenis heeft Allah een vers in de heilige Koran geopenbaard:

“En onder de mensen is er iemand die zijn ziel verkoopt, strevend naar Allah’s welbehagen.”Soera al-Baqara 2:207

Volgens talloze Qurʾān-exegeses (tafāsīr) van zowel sjiitische als soennitische oorsprong is dit vers “nedergezonden met betrekking tot Imam ʿAlī’s opoffering in de nacht van al-Mabīt”[^19]. Met andere woorden, Allah heeft Imam ʿAlī’s onverschrokken daad vereeuwigd in de Schrift, prijzend hoe Imam ʿAlī zijn eigen leven “verkocht” (d.w.z. op het spel zette) om dat van de heilige Profeet – en daarmee de missie van de islam – te redden. Deze goddelijke lofuiting in de Koran is een ondubbelzinnig getuigenis van Imam ʿAlī’s ongeëvenaarde moed, want er is geen vergelijkbaar vers dat over enig ander individu bij naam of daad geopenbaard is in dergelijke bewoordingen.

  1. Allah’s lof tegenover de engelen: Imamiyya-bronnen vermelden een prachtige overlevering betreffende dezelfde nacht (Laylat al-Mabīt). Terwijl Imam ʿAlī in het bed van de Profeet lag, openbaarde Allah aan de aartsengelen Djibra’īl (Gabriël) en Mikāʾīl (Michaël) dat Hij hen twee tot broeders had gemaakt en hen ongelijk in levensduur had gegeven. Allah vroeg of één van hen bereid was afstand te doen van zijn resterende leven ten gunste van de ander, maar geen van beiden wilde dat doen – zij wensten beide de langere levensduur. Daarop sprak Allah: “Waarom kunnen jullie niet zijn zoals ʿAlī ibn Abī Ṭālib? Ik heb hém gemaakt tot de broeder van Mijn Boodschapper, en zie: hij ligt klaar om zijn leven te geven voor die Boodschapper!”[^1] Allah beval vervolgens Djibra’īl en Mikāʾīl om onmiddellijk neer te dalen naar de aarde en Imam ʿAlī te bewaken. De overlevering – overigens ook terug te vinden in soennitische bronnen, zoals de tafsīr van Abū Ḥāmid al-Ghazālī en de geschiedwerken van Ibn al-Athīr – verhaalt dat Djibra’īl bij Imam ʿAlī’s hoofd ging staan en Mikāʾīl bij zijn voeten, terwijl ze hem beschermden. Djibra’īl riep uit: “Bakhin bakhin! man mithluka yā ʿAlī – Wie is zoals jij, o ʿAlī? Waarlijk, Allah roemt jou bij de engelen!”[^20][^21]. Deze gebeurtenis is een unieke eer: Allah vergelijkt Imam ʿAlī’s offerbereidheid gunstig met de engelen, en de engelen begrijpen dat Imam ʿAlī op aarde een rang van opoffering heeft bereikt die zelfs zij niet hadden kunnen evenaren. Zo’n attestatie door Allah Ta’ālā toont aan dat Imam ʿAlī’s moed niet alleen menselijk erkend, maar ook hemels geprezen is. Het bevestigt de sjiitische stelling dat Imam ʿAlī de dapperste gelovige is van álle mensen én hemelse wezens tezamen in die zin.
  2. Hemelse uitspraken en titels: We hebben reeds gezien dat bij Uḥud engelen de lofzang “Lā fatā illā ʿAlī…” zongen[^12]. In sjiitische overleveringen wordt daarnaast vermeld dat de Profeet zelf herhaaldelijk Imam ʿAlī geprezen heeft met woorden die impliceren dat niemand van de schepping aan Imam ʿAlī’s dapperheid kan tippen. Zo noemt de Profeet Imam ʿAlī bijvoorbeeld “Asadullāh al-Ghālib” – de Onoverwinnelijke Leeuw van Allah. Een andere welbekende titel is “Karrār ghayr farrār”, gegeven door de Profeet vóór de slag van Khaybar: dit betekent “hij die steeds weer aanvalt en nooit op de vlucht slaat”[^14]. Inderdaad, waar anderen soms aarzeling of angst toonden op het slagveld, toonde Imam ʿAlī (a) nooit enige lafheid of terughoudendheid in de strijd voor de waarheid. ʿAllāma al-Ḥillī, een vooraanstaande 13e-eeuwse imamitische geleerde, dichtte beroemde regels over Imam ʿAlī waarin hij hem zelfs bóven alle vroegere profeten-koningen stelde wat betreft heldhaftigheid:

“Waar is de moed van de helden van Banū Isrāʾīl vergeleken bij de moed van ʿAlī? De slag van Badr was groots, maar groots door ʿAlī’s aanwezigheid…” (poëtische samenvatting).

Hoewel dit geen letterlijke overlevering is, weerspiegelt het de imamitische opvatting dat Imam ʿAlī zelfs de beroemde strijders uit Bijbelse en Koranische verhalen (zoals Dāwūd die Ǧālūt versloeg) in dapperheid overtreft.

  1. Miraculeuze kracht als teken van God: Ten slotte wordt Imam ʿAlī’s fysiek bovenmenselijke kracht gezien als door Allah geschonken en een teken van zijn rechtvaardigheid en imāmah (leiderschap). We noemden reeds de poort van Khaybar die als was in Imam ʿAlī’s handen was[^15][^16], of het feit dat hij Khālid’s ijzeren halsband kon buigen en breken (waarover dadelijk meer)[^22]. Over de halsband-episode merkt Imam ʿAlī (a) zelf bescheiden op – nadat hij het ijzer moeiteloos had verwijderd – dat dit vergelijkbaar is met wat Allah over profeet Dāwūd (David) zegt: “Wij maakten het ijzer zacht voor hem”[^23], verwijzend naar de Koran (34:10). Met andere woorden, Imam ʿAlī’s wonderdaden in de strijd zijn een voortzetting van de wonderen die Allah zijn vroegere profeten gaf. Zulke krachten zijn voor imamitische moslims een teken dat Imam ʿAlī door Allah begiftigd is als uitverkorene en beschermer van het geloof. Al-Majlisī citeert zelfs dat de metgezellen bij het zien van Imam ʿAlī’s kracht Allah luidkeels prezen (takbīr en taḥlīl) en erkennend zeiden dat niemand anders dan “de drager van de poort van Khaybar” deze halsband van Khālid zou kunnen openen[^24][^25]. Goddelijke bijstand was duidelijk met Imam ʿAlī, zowel in fysieke zin als in het moreel van zijn medestrijders die hem zagen als door God gesteund.

Samenvattend leren de imamitische bronnen dat Imam ʿAlī’s uitzonderlijke krijgshaftigheid van bovenaf bevestigd is. De koranische revelatie, de engelentaal, de profetische lofuitingen en de zichtbare mirakels op het slagveld vormen allemaal onderdelen van een theologisch beeld waarin Imam ʿAlī de voorbestemde kampioen van de waarheid is. Hij is de belichaming van de Qur’ān-term ulū al-ba’s al-shadīd (“bezitters van geweldige kracht”) en zelfs daar voorbij – want zijn kracht was getemperd door ultieme oprechtheid en geloof, hetgeen het oneindig waardevoller maakte in Allah’s ogen[^13]. Zoals één overlevering zegt: “Een enkele zwaardslag van ʿAlī op de dag van Khandaq was beter dan de ʿibāda (aanbidding) van alle mensen en djinn tot de Dag der Opstanding.”[^13] Voor de gelovige is hiermee duidelijk dat geen krijger van weleer of later ooit het niveau van Imam ʿAlī (a) kan evenaren – of het nu in fysieke moed, in spirituele verdienste of in goddelijke goedkeuring is. Allah Ta’ālā hééft het getuigd en vriend én vijand zagen het: Imam ʿAlī is de Leeuw van God en de onbetwiste kampioen van de islam.

Imam ʿAlī (a) versus Khālid ibn al-Walīd: feit en legende

In de loop der eeuwen hebben soennitische historici en verhalenvertellers bepaalde andere vroege moslim-generaals bejubeld, in het bijzonder Khālid ibn al-Walīd, die (in hun optiek) de bijnaam “Sayfullāh” (Zwaard van Allah) kreeg na zijn latere successen in de ridda-oorlogen en tegen het Byzantijnse en Perzische Rijk. In soennitische vertellingen wordt Khālid afgeschilderd als een onverslaanbare veldheer, de “ultieme krijger” die in geen enkel duel of gevecht ooit verloor. Dergelijke schilderingen worden door Imamiyya-geleerden echter gezien als verheerlijkte mythes – vooral omdat zij het veel rijkere palmares van Imam ʿAlī (a) trachten te overschaduwen. In imamitische bronnen verschijnt Khālid ibn al-Walīd juist als tegenstander van Imam ʿAlī ná het overlijden van de Profeet, en zijn daden komen geenszins in de buurt van Imam ʿAlī’s nobele moed. Sterker nog, er worden meerdere confrontaties beschreven waarin Khālid schaamtelijk het onderspit delft tegenover Imam ʿAlī. In dit deel zullen we de lezer door die voorvallen leiden, en aantonen hoe de feiten uit zowel sjiitische als sommige soennitische bronnen de fictie rondom Khālid’s vermeende onoverwinnelijkheid ontkrachten.

Khālid ibn al-Walīd’s rol na de Profeet en zijn wrijving met Imam ʿAlī (a)

Om de spanningen te begrijpen, moeten we terug naar de dagen direct na het overlijden van de Profeet (s) (11 AH / 632 n.Chr.). Khālid ibn al-Walīd was een late bekeerling (hij werd moslim pas in 8 AH) maar kreeg na de Profeet’s martelaarschap snel een rol als commandant onder Abū Bakr. Khālid was echter ook nauw betrokken bij de Saqīfa-coup, de bijeenkomst waar Abū Bakr tegen de expliciete aanwijzing van Ghadīr in tot ‘kalief’ benoemd werd. In de ogen van de Imamiyya was Khālid daarmee een mukhālif – een tegenstander van Imam ʿAlī’s rechtmatige leiderschap – en vijandig gezind jegens de Ahl al-Bayt (a). Volgens de overleveringen was Khālid een van de voornaamste handlangers van de eerste heerser bij het onder druk zetten van Imam ʿAlī om de onrechtmatige machtsgreep te accepteren[^26]. Zo vermelden sjiitische kronieken dat Abū Bakr Khālid met 500 ruiters naar Imam ʿAlī’s huis stuurde om hem met dwang naar de moskee te brengen voor een eed van trouw[^26]. Khālid had zelfs deelgenomen aan de gewelddadige bestorming van het huis van Sayyeda Fāṭima al-Zahrā (a), de echtgenote van Imam ʿAlī, waarbij de heilige dochter van Allah’s Boodschapper zeer zwaar verwond werd – een uitermate gevoelig en tragisch incident in de sjiitische herinnering. Hoewel soennitische bronnen deze huisinval over het algemeen ontkennen of bagatelliseren, noemen imamitische werken Khālid expliciet als een van de belagers en noteren zij zelfs dat hij Sayyeda Fāṭima (a) heeft geslagen[^26]. Dit geeft al aan dat Khālid in de imamitische optiek geen held was, maar een afvallig individu dat bereid was geweld te gebruiken tegen de naaste familie van de heilige Profeet (s) – een grote zonde en bewijs van zijn onoprechtheid in het geloof.

Khālid’s vijandigheid jegens Imam ʿAlī (a) zou ook na Saqīfa voortduren. Zo wordt overgeleverd dat Abū Bakr op zeker moment zelfs Khālid heimelijk opdracht gaf Imam ʿAlī te vermoorden: “Als ʿAlī morgenvroeg naar het gebed komt achter mij, dood hem dan.” Terwijl Imam ʿAlī tijdens het ochtendgebed in de moskee was, zou Abū Bakr zich echter hebben bedacht en vóór de afsluitende salām in de gebedstaal hebben geroepen: “Yā Khālid, dóe niet wat ik je gebood!”[^27]. Imam ʿAlī besefte direct dat er iets gaande was. Na het gebed vroeg hij Khālid openlijk: “Wilde je het doen als ik er niet van wist?” waarop Khālid met arrogantie antwoordde: “Ja.”[^28]. Op dat moment nam Imam ʿAlī grimmig wraak. De verslagen melden dat Imam ʿAlī zonder aarzelen naar Khālid toeliep en hem bij de keel greep – met slechts zijn wijsvinger en middelvinger! – en Khālid’s keel dichtkneep[^29]. Dit is opmerkelijk gezien Khālid’s postuur: hij stond bekend als een forse, sterke man (een overlevering noemt hem “zo groot als een kameel”[^30]). Maar Imam ʿAlī tilde Khālid met gemak met twee vingers de lucht in en slingerde hem vervolgens met kracht tegen de grond. Daarbij brak Imam ʿAlī het staartbot (het stuitje) van Khālid, en – zo beschrijft de overlevering onverhuld – “Khālid bevuilde ter plekke zijn kleding”[^29]. Anders gezegd: Khālid was zo overmand door pijn en doodsangst dat hij zijn urine en ontlasting niet kon ophouden. De bekende metgezel Abū Dharr al-Ghifārī getuigde dat Imam ʿAlī, nog steeds met twee vingers, Khālid daarna een tweede harde kneep gaf, waardoor Khālid een buitengewoon luide kreet slaakte, “als het gehuil van een beest”, en wederom zijn broek bevuilde, wild met de benen trappend uit paniek[^31][^32]. In een overlevering van ʿAmmār ibn Yāsir wordt het tafereel nog kleurrijker omschreven: “Khālid begon te spartelen als een stierkalf; hij liet een loeiende schreeuw (Arabisch: raghā) horen zoals een kameel dat doet en hij urineerde zich ter plekke onder in de moskee.”[^33]. Dit alles voltrok zich in een oogwenk, vóórdat omstanders tussenbeide kwamen. Deze opzienbarende episode – die overigens zelfs door de soennitische historicus al-Balādhurī in Ansāb al-Ashrāf in summiere vorm wordt bevestigd[^29] – laat er geen twijfel over bestaan wie de sterkste en moedigste man was. Khālid ibn al-Walīd, de “held” van de soennitische legende, werd door Imam ʿAlī vernederd tot een huilende, bevende en zichzelf bevuilende figuur te midden van de moskee.

Vanaf dat moment koesterde Khālid uiteraard wrok, maar tevens vrees, jegens Imam ʿAlī. Imamitische bronnen geven aan dat Khālid nadien op kansen bleef loeren om zich op Imam ʿAlī (a) te wreken[^34]. Men vertelt dat Khālid met een groep gewapende mannen probeerde Imam ʿAlī te verrassen en te vermoorden als de gelegenheid zich zou voordoen, maar Imam ʿAlī was op zijn hoede. Een cruciaal incident deed zich voor na de zogenoemde ridda-oorlogen (“apostasie-oorlogen” tegen afvallige stammen na de Profeet’s martelaarschap). Khālid had daar onder Abū Bakr’s gezag een beruchte reputatie opgebouwd vanwege zijn hardhandigheid – het meest notoir is zijn optreden tegen Mālik ibn Nuwaira, een voormalige Profeet-metgezel. Khālid doodde Mālik bedrieglijk ondanks diens islamitische geloof en verkrachtte zonder aarzeling Mālik’s vrouw, zelfs nog diezelfde nacht[^35]. Deze wandaad wekte zelfs onder prominente metgezellen enorme verontwaardiging. ʿOmar ibn al-Khaṭṭāb beschouwde Khālid om die reden als een moordenaar die de doodstraf verdiende en als een overspelige die gestenigd diende te worden[^36]. ʿOmar drong er bij Abū Bakr sterk op aan om Khālid ter verantwoording te roepen. Abū Bakr gaf toe dat Mālik onterecht gedood was – hij betaalde bloedgeld aan Mālik’s familie – maar hij weigerde Khālid verder te straffen onder het mom dat “Khālid naar eigen ijtihād handelde” (!!!)[^36]. In plaats daarvan verdedigde Abū Bakr Khālid, noemde hem zelfs “een van de zwaarden van Allah die Hij tegen de ongelovigen heeft getrokken” (!!!)[^37] en liet hem verder met rust. Deze houding van Abū Bakr, ingegeven door politieke berekening (hij had Khālid’s brute talenten nog nodig), leidde ertoe dat Khālid feitelijk boven de wet stond. Toch is het veelzeggend dat ʿOmar later, zodra hij heerser werd, Khālid meteen uit zijn functie ontsloeg en hem met stille rancune behandelde[^38]. Zelfs uit soennitische bronnen blijkt dus dat de Sayfullāh (Zwaard van Allah) helemaal niet onbesproken was: hij had bloed aan zijn handen van onschuldige moslims en toonde losbandigheid als een criminele verkrachter. Dit contrast is belangrijk: waar Imam ʿAlī geroemd wordt om zijn rechtvaardige strijd (nooit een onschuldige gedood, nooit buitensporig geweld), heeft Khālid een smet op zijn naam staan. Het heroïsche imago van Khālid is bij nader inzien opgebouwd ten koste van de waarheid – de waarheid die juist laat zien dat Khālid’s zwaard vaak onrecht deed, terwijl Imam ʿAlī’s zwaard altijd stond voor rechtvaardigheid en bescherming van de islam.

Imam ʿAlī (a) vernederde Khālid: de episode van de ijzeren halsband

Het meest indrukwekkende – en door meerdere bronnen overgeleverde – voorval waarin Imam ʿAlī (a) en Khālid ibn al-Walīd rechtstreeks tegenover elkaar staan ná het Profeet’s leven, is de “halsband-episode” of het verhaal van ṭawq Khālid (Khālids halskraag). Dit incident is uitvoerig te vinden in sjiitische bronnen, met name in Bihār al-Anwār van ʿAllāma al-Majlisī (die op zijn beurt teruggrijpt op oudere bronnen zoals Manāqib van Ibn Shahrāshūb en Dalāʾil al-Imāmah van al-Ṭabarī al-Imāmī)[^39][^40]. Hieronder volgt een gereconstrueerde weergave van het gebeuren, gebaseerd op de overleveringen van o.a. Jābir ibn ʿAbd Allāh al-Anṣārī, Abū Saʿīd al-Khudrī, ʿAmmār ibn Yāsir en ʿAbd Allāh ibn ʿAbbās:

Context: Khālid ibn al-Walīd keerde met zijn troepen terug van de ridda-campagnes richting Ḥijāz. Imam ʿAlī (die niet deelnam aan de ridda-oorlogen omdat hij de legitimiteit van Abū Bakr’s gezag niet erkende) bevond zich met een groep loyale metgezellen in dezelfde regio. Volgens de overlevering kampeerde Imam ʿAlī (a) bij een waterbron genaamd Rābiġ (volgens andere bronnen: Rūma), samen met vooraanstaande ṣaḥāba die hem trouw waren gebleven – namen als ʿAmmār ibn Yāsir, al-Miqdād, Abū Dharr al-Ghifārī (ibn Junāda), Salmān al-Fārisī, al-Zubayr ibn al-ʿAwwām, en twee jongemannen uit de clan van ʿAqīl[^41][^42]. Deze metgezellen keken met grote argwaan naar het nieuwe regime in Medina en waren ontevreden over Abū Bakr. Hun blikken naar Khālid en zijn ruiterij waren dan ook niet vriendelijk toen Khālid’s eenheid in de buurt kampte – de overlevering zegt: “hun ogen vonkten van woede en beschermende eergevoel (voor Imam ʿAlī) bij het zien van Khālid”[^42]. Khālid zelf was hoogmoedig door zijn successen en het feit dat hij een groot leger bij zich had. Hij besloot een provocatie aan te gaan. Khālid naderde met enkele ruiters het kamp van Imam ʿAlī. ʿAmmār ibn Yāsir, die wist wat Khālid gedaan had in de ridda (onder meer de moord op Mālik ibn Nuwaira), ontving hem met scherpe spot en hekelde hem openlijk[^43]. Khālid, verhit, begon tegen Imam ʿAlī te spreken op een denigrerende toon. Hij begroette Imam ʿAlī spottend met “Goede morgen, Abū al-Ḥasan” (of mogelijk “Abū Turāb”). Imam ʿAlī zou teruggegroet hebben met gelijke formaliteit, maar keek Khālid doordringend aan en merkte op: “Wat een beeldige halsband draag je daar, o Abū Sulaymān!”[^44]. Deze raadselachtige opmerking van Imam ʿAlī (“Niʿma al-qilāda qilādatuk yā Khālid” in het Arabisch) verwees naar iets rondom Khālid’s nek – namelijk een ijzeren ring of wielnaaf (deel van een molensteen) dat vast om zijn hals zat geklemd. Hoe was dat gekomen? Dat was exact Imam ʿAlī’s werk.

De ontmoeting ontaardde namelijk ogenblikkelijk in geweld. Toen Imam ʿAlī (a) zag dat Khālid uit was op ruzie – er wordt overleverd dat “Imam ʿAlī aan Khālid’s ogen zag dat hij slechte bedoelingen had” – vroeg hij fel: “Ben je écht van plan mij iets aan te doen, Abū Sulaymān?”[^45]. Khālid, die zich gesterkt voelde door zijn manschappen, riep arrogant: “Bij God, als je volhardt (in je aanspraak op het kalifaat) zal ik dat hoofd van je splijten!” (of woorden van gelijke strekking, o.a. “Ik sla je neer voordat je met je ogen knippert”)[^45]. Deze dreigende woorden waren nog niet koud of Imam ʿAlī’s geduld was op. Hij schoot als een bliksem op Khālid af. Met één machtige greep greep Imam ʿAlī Khālid bij zijn bovenlichaam, sleurde hem van zijn paard en begon hem hardhandig voort te duwen/trekken richting het kamp van Imam ʿAlī[^46]. Khālid’s mannen stonden verstijfd – de overlevering zegt: “Zijn metgezellen stonden erbij alsof ze de Engel des Doods zelf zagen, zó verlamd door angst dat ze geen vin verroerden.”[^47] Niet één durfde Imam ʿAlī te benaderen om Khālid te helpen, zo intimiderend was ʿAlī’s voorkomen en zo verrassend snel ging de actie. Imam ʿAlī (a) sleepte de worstelende Khālid naar een nabijgelegen oude molen (van ene Ḥārith ibn Kalda) waar een zware ijzeren molenas (of wielnaaf) lag. Met zijn ongelofelijke kracht tilde Imam ʿAlī dit dikke ijzeren stuk op, zette het aan Khālid’s hals en begon het met beide handen om Khālid’s nek heen te buigen en draaien, alsof het een touw was[^46]! De ijzeren band plooide zich als warme was; Imam ʿAlī draaide en draaide tot het ding als een strakke halsband om Khālid’s nek zat, hem als het ware wurgend en als een os aan de ketting legend[^46]. Vervolgens liet Imam ʿAlī Khālid los – vastgeklemd in het ijzer – en duwde hem opzij. Khālid’s volgelingen, die zich eerst niet bewogen hadden, schoten nu toe, maar het kwaad was geschied: hun aanvoerder zat als een vastgeschroefde halsbandstier met een ijzeren kraag om zijn nek.

Khālid raakte in paniek. Hij begreep dat hij volledig machteloos was; de ijzeren ring zat zo strak en zwaar dat hij zijn hoofd nauwelijks kon bewegen of ademhalen. In doodsangst en schaamte riep Khālid uit naar Imam ʿAlī en zwoer bij Allah en Zijn Profeet dat hij op zou houden en Imam ʿAlī met rust zou laten, sméékte Imam ʿAlī om genade en om hem vrij te laten[^40]. Imam ʿAlī zag zijn eed, voelde wellicht medelijden in het moment en besloot Khālid niet ter plekke te doden. Hij liet Khālid leven, maar liet de halsband zitten als les. Imam ʿAlī en zijn metgezellen vertrokken kort daarop voor andere zaken, terwijl Khālid vernederd achterbleef – met het loodzware juk nog altijd om zijn nek.

Khālid begaf zich zo spoedig mogelijk, met halsband en al, naar Medina om zijn beklag te doen bij Abū Bakr. Men kan zich de commotie voorstellen: Khālid ibn al-Walīd, de trotse generaal, reed de stad in met een enorme ijzeren band om zijn nek, vergezeld van zijn troepen vol stof en schaamte[^48][^46]. Mensen liepen uit om hem te zien en lachten hem uit vanwege het bizarre aanzicht[^49]. Abū Bakr zelf schrok hevig bij het zien van zijn veldheer in deze toestand. Khālid, door woede en vernedering gedreven, uitte tegen Abū Bakr meteen zijn frustratie – hij ging zelfs zo ver Abū Bakr openlijk te beledigen: “Wees rechtvaardig, zoon van Abū Quḥāfa, hoe heb jíj je op deze plek kunnen zetten waar je niet thuishoort? Je bent omhooggekomen als schuim op het water – alleen als het stil staat drijft het omhoog. Wat weet jij nu van het leiden van legers?!”[^50]. Khālid was zo kwaad dat hij de ‘kalief’ allerlei ongunst vertelde, deels uit frustratie dat Abū Bakr hem in deze situatie had gebracht door Imam ʿAlī ongestraft rond te laten lopen. Hij vertelde vervolgens uitvoerig hoe hij Imam ʿAlī had aangetroffen met een groep “rebellen” (hij noemde ʿAmmār, Miqdād, Abū Dharr, Zubayr etc.) die Abū Bakr haatten[^41], en hoe Imam ʿAlī hem zonder pardon had aangevallen en dit ijzer had omgedaan. Khālid gaf zelfs toe: “Ik heb gezworen bij Allah en Zijn Boodschapper, en toen pas liet ʿAlī mij gaan,” waarmee hij erkende dat alleen door Imam ʿAlī’s genade (uit respect voor de Profeet’s naam) hij niet gedood was[^46]. Hij voegde er woedend aan toe: “Er hebben meer dan honderd sterke mannen geprobeerd deze band van mijn nek te krijgen, maar niemand krijgt hem los! We hebben smeden erbij gehaald, maar die zeggen dat hij alleen doormidden kan als we het ijzer tot gloeien verhitten – en dat zou mijn dood betekenen. Ik zweer dat er toverij of bovennatuurlijke kracht in dit ding zit!”[^47]. Met andere woorden, het was onmogelijk gebleken voor mensenhanden om de door Imam ʿAlī geplooide ijzeren halsband los te wrikken. Dit bevestigt wederom dat Imam ʿAlī’s kracht door niets en niemand geëvenaard werd: wat hij boog kon geen mens terugbuigen[^40].

Abū Bakr was verbijsterd en wendde zich tot zijn adviseur ʿOmar. Deze zou gezegd hebben dat Imam ʿAlī (a) geenszins zou ophouden totdat hij zichzelf en hen (Abū Bakr en ʿOmar) in het verderf stortte – hij doelde op Imam ʿAlī’s “hardnekkige weigering om de ‘kalief’ te erkennen”. ʿOmar raadde Abū Bakr aan om ʿAlī’s tegenstand niet te beantwoorden met toegeven, maar te bedwingen, desnoods met geweld. Terwijl dit beraad gaande was, verging Khālid van pijn; de band drukte op zijn keel en schouders. Abū Bakr liet roepen om Qays ibn Saʿd ibn ʿUbāda, die beroemd was om zijn enorme lichaamskracht (over Qays wordt gezegd dat hij 18 handspan lang was en 5 span breed in schouders – een reus van een man)[^51]. Qays was ook iemand die fysiek ná Imam ʿAlī (a) de sterkste van die tijd was[^52]. Abū Bakr vroeg Qays of hij de ijzeren band kon losmaken. Qays antwoordde schamper: “Waarom doet Khālid het zelf niet? Hij is toch jullie ster-veldheer? Als hij het niet kan, waarom zou ík het kunnen?”[^53]. ʿOmar beet hem toe niet zo spottend te doen, maar Qays kon het niet laten een hatelijke opmerking te maken richting ʿOmar (hij noemde ʿOmar “zoon van de luipaard” en maakte grappen over ʿOmar’s dikke buik)[^54]. Woorden wisselden; Qays bekende openlijk dat hij in zijn hart helemaal niet werkelijk Abū Bakr’s gezag accepteerde, slechts uiterlijk[^55]. Hij verweet Abū Bakr dat diens usurpatie van het kalifaat tegen Gods bevel in was, en gaf een vlammende verdediging van Imam ʿAlī’s recht[^56][^57]. Dit durfde Qays natuurlijk alleen te zeggen omdat de situatie kritiek was – men had hem nodig. Zijn toespraak was gedurfd: hij noemde Abū Bakr spottend een “kreupel schaap” en “opgeblazen haan zonder echte adel” die onterecht op de plaats van Imam ʿAlī (a) zat[^58]. Tenslotte weigerde Qays pertinent de halsband te verwijderen en zei: “Zoek maar stadssmeden, zij zijn geschikter dan ik.”[^59][^60]. Qays vertrok, en Abū Bakr berispte hem hevig, maar kon niks beginnen. Deze episode toont dat binnen Medina er ook verdeeldheid was, en mannen als Qays die Imam ʿAlī (a) steunden zelfs Abū Bakr durfden te trotseren toen het erop aankwam.

Uiteindelijk beseften Abū Bakr en ʿOmar dat de enige manier om Khālid te bevrijden was om Imam ʿAlī zelf te bewegen het ongedaan te maken. Gelukkig (voor hen) keerde Imam ʿAlī korte tijd later terug van zijn reis naar Medina. Abū Bakr stuurde direct boodschappers naar Imam ʿAlī’s huis om hem te vragen (eigenlijk smeken) naar de moskee te komen voor een belangrijke zaak die hem verdriet deed[^61]. Imam ʿAlī (die net aankwam van reis) weigerde echter naar Abū Bakr toe te gaan – in lijn met zijn principe dat de rechtmatige leider niet hén opzoekt, maar zíj hém moeten opzoeken (zoals de Profeet hem had opgedragen)[^62][^63]. Hij liet weten: “Als jullie mij nodig hebben, kom dan maar naar mijn huis, ik ben net aangekomen en zie mensen pas nadat ik thuis ben gearriveerd.”[^64]. Abū Bakr zag geen keus en ging met ʿOmar, Khālid en vele anderen zelf naar Imam ʿAlī’s huis. Aan de deur troffen ze Imam al-Ḥusayn (toen nog een kind) die met Imam ʿAlī’s zwaard aan het spelen was; Abū Bakr vroeg beleefd of Imam al-Ḥusayn (a) zijn vader wilde roepen[^65][^66]. Imām al-Ḥusayn ging naar binnen en Imam ʿAlī stemde toe hen te ontvangen. Zodra de groep Khālid ibn al-Walīd met zijn ijzeren “ketting” om de nek zag, en daar tegenover Imam ʿAlī rustig zittend, moet de situatie ongemakkelijk geweest zijn. Allen begroetten Imam ʿAlī met de islamitische groet; Imam ʿAlī groette hen terug. Toen zijn blik op Khālid viel, kon Imam ʿAlī een ironische opmerking niet laten: hij herhaalde opnieuw met een glimlach: “Goedemorgen, Abū Sulaymān. Wat een beeldig halssieraad draag je daar!”[^66][^67]. Deze bittere spot was terecht – Khālid zat daar immers als een geslagen hond met een halsband van schaamte. De metgezellen stonden op scherp, bang dat er opnieuw ruzie ontstond. Khālid kon zich niet inhouden en siste: “Bij Allah, ʿAlī, als mijn tijd het toestaat zal ik dit niet overleven – ik zweer dat ik je zal doden als ik ooit de kans krijg!”[^67][^68]. Imam ʿAlī antwoordde kalm maar minachtend: “Uff voor jou, zoon van een onreine vrouw (ibn Dimīma)! Denk je werkelijk dat iemand als jíj mij zou kunnen doden? Bij Degene Die de korrel splijt en de ziel schept, jouw waarde is voor mij nog minder dan die van een vlieg. Als ik wil, verpletter ik jouw leven als een vlieg die in heet soepvet valt, zonder enige inspanning[^68][^69]. Dus spaar je bedreigingen – anders stuur ik je nú al naar degenen die jouw dood nog meer verdienen.” Hiermee bedoelde Imam ʿAlī dat als Khālid nog één stap verder ging, Imam ʿAlī hem direct zou afmaken en eigenlijk liever anderen (de samenzweerders) had gedood maar dan Khālid ook eraan zou geloven. Imam ʿAlī voegde toe: “Laat het verleden nu rusten, Abū Sulaymān, je hebt al genoeg gal gedronken – richt je op wat rest van je leven, want bij Allah, ik heb jouw einde gezien en het mijne: mijn ziel is in het Paradijs en de jouwe in het Vuur.”[^70][^71].

Op dit punt grepen Abū Bakr en de anderen in om verdere woordenwisselingen te stoppen[^72]. Abū Bakr smeekte Imam ʿAlī om de kwestie op te lossen: “We zijn hier niet gekomen om oude vetes op te rakelen, Abū l-Ḥasan. We vragen je enkel dit stuk ijzer van Khālid’s nek te halen. Het doet hem vreselijk pijn en heeft hem gekneusd. Je hebt je woede inmiddels gekoeld op hem – gun hem nu genade.”[^73][^74]. Abū Bakr probeerde eerst druk te zetten door te zeggen dat Imam ʿAlī altijd maar “dwars blijft liggen en de zaak van de moslims belemmert”, maar Imam ʿAlī pareerde dat het juist Abū Bakr was die onrechtmatig zat en dat de Profeet hén bevolen had hém te volgen, niet andersom[^75][^76]. Imam ʿAlī herinnerde Abū Bakr openlijk aan het voorval van Ghadīr en de profetische voorspellingen dat de gemeenschap Imam ʿAlī zou veronachtzamen na de Profeet[^62][^63]. Tevens verklaarde Imam ʿAlī dat hij op bevel van de Profeet pas zijn zwaard zou trekken in drie specifieke toekomstige veldslagen (“de strijd tegen de meinedigen, de onrechtvaardigen en de afvalligen” – verwijzend naar de later plaatsvindende gevechten bij Basra, Ṣiffīn en Nahrawān tijdens Imam ʿAlī’s eigen kalifaat)[^77][^78]. Dit was Imam ʿAlī’s argument waarom hij sinds de Profeet’s martelaarschap nog geen militair geweld had gebruikt ondanks het onrecht: de Profeet had hem geduld en vrede opgelegd tot op een vastgesteld tijdstip, omwille van het behoud van de jonge religie[^79][^80]. Deze uitleg van Imam ʿAlī legde moreel de vinger op de wond: Als ik echt mijn recht met het zwaard had gehaald meteen na de Profeet, hadden jullie (Abū Bakr en co) geen kans gemaakt – maar dan was er fitna (burgeroorlog) ontstaan en wellicht afvalligheid van vele nieuwe moslims, waardoor de islam in gevaar was gekomen. Daarom had Imam ʿAlī, ondanks zijn ongeëvenaarde kracht, zich ingehouden. Het gezelschap wist dat dit waar was; Abū Bakr had immers zelf ook angst gehad dat Imam ʿAlī daadwerkelijk geweld zou gebruiken. Volgens een andere versie zei Abū Bakr zelfs tegen ʿOmar: “Als ʿAlī besloten had ons te doden, hij had ons met links kunnen doden zonder zijn rechterhand te hoeven gebruiken.”[^81]. Zo groot achtte men Imam ʿAlī’s kracht en formidabele reputatie. Hoe dan ook, nu stond men hier – de realiteit was dat men Imam ʿAlī’s hulp nodig had.

Abū Bakr veranderde daarom van toon en deed een beroep op Imam ʿAlī’s nobelheid. Hij zei (volgens al-Majlisī): “Ik smeek je bij Allah en bij de rechten van je broer, de Boodschapper van Allah, ontferm je over Khālid en bevrijd hem van dit ijzer.”[^15][^82]. Toen Abū Bakr God en de Profeet inschakelde in zijn smeekbede, voelde Imam ʿAlī schaamte om nog langer te weigeren – er wordt opgemerkt dat Imam ʿAlī zeer gevoelig was voor zulke smeekbeden, aangezien hij van nature zachtmoedig en vergevingsgezind was[^83][^84]. Imam ʿAlī stemde in om Khālid te verlossen. Wat volgde was opnieuw een staaltje van bovenmenselijke kracht: Imam ʿAlī ging naar Khālid toe, pakte de ijzeren band vast en begon deze stukje voor stukje met zijn hand af te breken. Volgens de overlevering “trok Imam ʿAlī stukjes van de band alsof het zacht was; telkens draaide hij een segment los en wierp het op de grond”[^25]. Dit deed hij moeiteloos, alsof hij een touwtje in stukjes brak, terwijl niemand anders zelfs maar één millimeter beweging in het ijzer had kunnen krijgen. Tijdens dit proces gaf Imam ʿAlī Khālid een subtiele vermaning mee: bij de eerste twee stukken die hij loswrikte, sloeg hij ze even tegen Khālid’s hoofd, waarop Khālid uitriep: “Ah! Yā Amīr al-Mu’minīn!” (“Au! O leider der gelovigen!”)[^25][^85]. Imam ʿAlī antwoordde met koele spot: “Die woorden spreek je uit tegen je wil; als je ze niet had gezegd, had ik het derde stuk van deze band uit je onderste ingewanden getrokken.”[^25][^85]. Hiermee dwong Imam ʿAlī Khālid impliciet om zijn titel “Amīr al-Mu’minīn” (die eigenlijk alleen de rechtmatige kalief toekomt) te erkennen – zij het schreeuwend van pijn. Het toont Imam ʿAlī’s gevoel voor humor zelfs in zo’n ernstig moment. Nadat alle stukken ijzer verwijderd waren, was Khālid eindelijk bevrijd. De omstanders waren getuige geweest van iets ongelofelijks: het ijzer had zich naar Imam ʿAlī’s handen geschikt alsof het deeg was[^24]. De hele groep – Abū Bakr, ʿOmar, de aanwezige moslims – barstte spontaan uit in takbīr (“Allāhu Akbar!”) en taḥlīl (“Lā ilāha illa-llāh!”) en raakten in bewondering verzonken over de kracht die Allah aan Imam ʿAlī had geschonken[^22][^86]. Zij keerden terug uit Imam ʿAlī’s huis “dankbaar en vol verbazing”[^22][^86]. Abū Bakr zou zelfs toen openlijk hebben gezegd:

“Verbaast u niet over Abū l-Ḥasan (ʿAlī)! Bij Allah, ik herinner me de dag dat hij de poort van Khaybar uit de grond lichtte. Ik stond naast de Boodschapper van Allah en ik zag de Profeet lachen tot zijn tanden zichtbaar werden, en daarna huilen tot zijn baard nat werd. Ik vroeg: ‘O Boodschapper van Allah, u lacht en huilt tegelijkertijd?’ Hij zei: ‘Ja, ik lachte uit blijdschap om ʿAlī’s overwinning bij Khaybar, en ik weende uit medelijden met ʿAlī. Hij heeft die poort slechts kunnen opheffen terwijl hij drie dagen niets gegeten had, anders had hij hem nog verder geslingerd dan buiten het fort!’”[^16].

Deze erkenning uit de mond van Abū Bakr (zoals Majlisī overlevert) is opmerkelijk omdat hij hiermee impliciet toegaf dat Imam ʿAlī een door Allah gesteunde held was – iets wat de sjiieten aldoor betoogden.

Na deze gebeurtenis viel er een stilte tussen Imam ʿAlī (a) en Khālid. Khālid had een beschamende les geleerd: hij was geen partij voor Imam ʿAlī en zou dat nooit zijn. Kort daarop zou Khālid door ʿOmar uit zijn militaire ambt gezet worden en verdween hij feitelijk uit de politieke schijnwerpers. Hij stierf een aantal jaren later in Syrië, op bed en niet op het slagveld (ironisch genoeg gezien zijn bijnaam). Sjiitische bronnen merken fijntjes op dat Khālid’s bijnaam “Zwaard van Allah” een grote leugen is, omdat een echt Zwaard van Allah nooit misbruikt zou worden voor eigen begeerten en nooit ongewroken van het strijdtoneel zou wegblijven – maar Khālid stierf als het ware “roestend” buiten het gevecht. De ware Zwaard van Allah “Dhū l-Fiqār”, het zwaard van de islam, lag in de handen van de enige ware en rechtmatige Opperbevelhebber der Gelovigen Imam ʿAlī ibn Abī Ṭālib (a) en werd alleen geheven in dienst van gerechtigheid.

Conclusie uit Imam ʿAlī (a) vs. Khālid

De confrontaties tussen Imam ʿAlī (a) en Khālid ibn al-Walīd, zoals hierboven beschreven, spreken boekdelen. Ze ontkrachten de legende dat Khālid de grootste moslimkrijger was – een legende die alleen in soennitische kampverhalen leefde. In plaats daarvan bevestigen deze incidenten dat Khālid telkens faalde of vernederd werd zodra hij ook maar in de schaduw van Imam ʿAlī (a) stond. Waar Khālid brute kracht en onbeheerste ambitie vertegenwoordigde, stond Imam ʿAlī (a) als de triomfante Leeuw van Allah voor rechtmatige kracht geleid door goddelijke hulp. Het is veelbetekenend dat we in soennitische werken geen enkel verslag vinden van Khālid die ooit Imam ʿAlī versloeg of zelfs maar gedurfd zou hebben openlijk tegen Imam ʿAlī op te staan; integendeel, sommigen van de hierboven genoemde episodes worden – zij het schoorvoetend – óók in hun bronnen vermeld (bijvoorbeeld de nacht van Hijra, waar Imam ʿAlī Khālid ontwapende[^87], of Khālid’s moord op Mālik en de kritiek van ʿOmar[^36]). Soennitische historici hebben vaak getracht deze verhalen te downplayen of weg te laten, maar de sjiitische overleveringsgiganten als al-Mufīd, al-Ṭūsī, al-Majlisī en anderen hebben ze zorgvuldig bewaard. Shaykh al-Mufīd haalt in al-Irshād bijvoorbeeld het incident aan van de moordplannen na fajr en hoe Imam ʿAlī (a) Khālid overweldigde, als bewijs van Imam ʿAlī’s fysieke suprematie én morele gelijk (want Imam ʿAlī spaarde hem, hij doodde Khālid niet ter plaatse)[^27]. ʿAllāma al-Ḥillī wijst in zijn polemische werk Minhāj al-Karāma erop dat het zogenoemde ‘zwaard van Allah’ (Khālid) stomp was tegenover de onoverwinnelijke Leeuw van Allah (Imam ʿAlī), en dat de krachtmeting tussen hen eindigde met Allah’s leeuw die het zogenaamde zwaard omboog tot een halsband!

Tegen deze achtergrond vervalt elke aanspraak van de mukhālifīn dat Khālid op welke manier dan ook kan wedijveren met Imam ʿAlī (a). Historisch zien we: Imam ʿAlī was toonaangevend in alle grote oorlogen van de Profeet – Khālid was dat niet (hij bekeerde zich pas later en had zelfs te Uḥud aanvankelijk tégen de Profeet gevochten). Moreel zien we: Imam ʿAlī hield zich nooit schuldig aan het doden van onschuldigen, waar Khālid wél bloed aan zijn handen had (Māliks laffe moord en verkrachting van diens vrouw, waarvoor zelfs ʿOmar hem wilde straffen[^36]). Fysiek zien we: Imam ʿAlī’s kracht was ongeëvenaard en wonderbaarlijk, waar Khālid in directe krachtmeting steeds verloor – of het nu de worsteling tijdens Hijra was waar Imam ʿAlī hem ontwapende en zijn manschappen uiteendreef als schapen[^87], of de greep in de moskee waar Khālid krijste en zijn water liet lopen[^31][^33], of de halsband-episode waar Khālid’s trots volledig werd gebroken en hij smekend om genade vroeg[^40].

Deze feiten zijn voor de imamitische geleerden voldoende om te stellen dat de soennitische verheerlijking van Khālid niets meer is dan een leugenachtig luchtkasteel. Ja, Khālid won veldslagen tegen zwakkere stammen en buitenlandse legers in naam van de eerste usurpator, maar nooit heeft hij een echte kampioen verslagen zoals Imam ʿAlī dat keer op keer deed (Imam ʿAlī versloeg immers kampioenen als ʿAmr ibn ʿAbd Wudd, Marḥab, etc.). En op het moment dat Khālid tegenover Imam ʿAlī stond, bleek hij onmachtig. De zogenaamde “generaal Khālid” plaste van angst in zijn broek; de “held” gilde als een gewond dier[^33]. Dit zijn geen sjiitische verzinsels maar overleveringen ondersteund door meerdere ketens en zelfs echo’s in soennitische bronnen. Het is dus van belang voor de waarheidzoeker om de puzzelstukjes van beide tradities samen te leggen: wie was werkelijk de grootste krijger? Alle bewijzen wijzen naar de onoverwinnelijke Leeuw van Allah, Imam ʿAlī ibn Abī Ṭālib (a).

Conclusie

Op basis van de besproken historische verslagen en theologische inzichten kunnen we met recht concluderen dat Imam ʿAlī (a) de volmaaktste krijger is van de hele mensheid, van het begin der tijden tot het einde. Zijn uitzonderlijke heldhaftigheid kwam tot uiting in elke belangrijke episode waarin de islam verdedigd moest worden – of dat nu was op de slagvelden van Badr, Uḥud, Khandaq, Khaybar en Ḥunayn, of later in de interne ordebewaring van de jonge gemeenschap. Imam ʿAlī’s zwaard Dhū l-Fiqār veranderde het lot van de islam telkens ten goede, en dit was geen toeval maar – zoals de imamitische bronnen benadrukken – een door Allah gewilde realiteit.

Allah Ta’ālā heeft getuigd van Imam ʿAlī’s unieke opoffering in de Koran (2:207)[^19], de engelen prezen hem hoger dan zichzelf[^20][^21], en de Profeet benoemde hem herhaaldelijk als de standaard van moed en geloof (met uitspraken als “Geen held behalve ʿAlī, geen zwaard behalve Dhū l-Fiqār”[^12] en “ʿAlī’s slag is beter dan de aanbidding van alle schepselen”[^13]). De pijlers van de Imamiyya – van Shaykh al-Mufīd tot ʿAllāma al-Majlisī – hebben deze erfenis doorgegeven met rijke details en verwijzingen, zodat niemand er onwetend van hoeft te zijn.

Tegelijk hebben we gezien dat alternatieve “helden” uit de soennitische overlevering – in het bijzonder Khālid ibn al-Walīd – bij nader onderzoek niet overeind blijven in vergelijking met Imam ʿAlī (a). Het feit dat we genoodzaakt zijn deze vergelijking met figuren zoals Khālid aan te kaarten, is op zichzelf al een vorm van onrecht jegens de Opperbevelhebber der Gelovigen (a) en diens eeuwige onderdrukking door de vijanden van Allah. De leugens en fantasieverhalen die Khālid als onoverwinnelijke kampioen afschilderen, zijn door ons gefileerd. Khālid’s eigen tijdgenoten zoals ʿOmar erkenden zijn fouten en misdaden[^36], en in de weegschaal van moed legt hij het op alle fronten af tegen Imam ʿAlī (a). Waar Imam ʿAlī een ridder zonder vrees of blaam was, zien we bij Khālid eerder roekeloosheid en wreedheid zonder dezelfde goddelijke zuiverheid of onoverwinnelijkheid.

Imam ʿAlī (a) combineerde in zich namelijk alle kwaliteiten van de perfecte krijger: fysieke kracht, moed, strategie, maar ook rechtvaardigheid, eergevoel en godsvrucht. Dit maakte hem tot de “meest complete” (volmaakte) strijder. Zijn overwinning was niet louter die van spierkracht, maar die van waarheid tegen onwaarheid. Zoals in de profetische Hadith wordt overgeleverd: “ʿAlī is met de ḥaqq en de ḥaqq is met ʿAlī.” Tijdens de veldslagen was dat op elke slag te zien: Imam ʿAlī (a) vocht fī sabīlillāh (in de weg van God) en daarom verleende Allah hem hulp die niemand anders kreeg.

Bovendien gaat Imam ʿAlī’s superioriteit als krijger hand in hand met zijn spirituele leiderschap als de onfeilbare Imam. In de sjiitische optiek is het geen toeval dat de man die door Allah is aangewezen als opvolger van de Profeet óók de dapperste der gemeenschap was. Zijn fysieke daden dienden als tastbaar bewijs van zijn imāmah – en we zagen hoe zelfs tegenstanders heimelijk daarin geloofden. Zo smeekte Abū Bakr hem met de titel “broeder van de Profeet” en zag Khālid zich gedwongen hem “Amīr al-Mu’minīn” te noemen[^25][^85]. Uiteindelijk heeft Imam ʿAlī zowel vriend als vijand doen erkennen dat hij de ware triomfante leeuw van Allah onder de mannen was.

Kortom, Imam ʿAlī (a) schittert in de geschiedenis als het summum van ridderlijkheid en moed. Zijn leven en geschiedenis, verankerd in klassieke imamitische bronnen en bevestigd door onafhankelijke rapportages, laten geen twijfel: van Ādam tot de laatste mens zal er niemand zijn die Imam ʿAlī (a) in dapperheid en volmaaktheid als krijger evenaart. Zoals een overlevering luidt: “Als alle eerdere helden en sterke mannen zich aan één kant zouden scharen en ʿAlī alleen aan de andere, dan zou hij hen allen overtreffen.” Moge deze waarheid erkend worden door al degenen die de geschiedenis onpartijdig bestuderen. Imam ʿAlī (a) is en blijft de ongeëvenaarde held en kampioen van de mensheid, wiens verheven status door Allah Taʿālā en Zijn Boodschapper is bevestigd en bekrachtigd, en die tot in eeuwigheid in herinnering zal blijven. [^1].

Bronnen

Primaire islamitische bronnen (sjiitisch en soennitisch):

  • al-Qurʾān al-Karīm. (n.d.). [Heilige Koran]. (Gebruik van Soera al-Baqara 2:207; Soera Āl ʿImrān 3:152-153 e.a. in de context van Imam ʿAlī’s daden[1][2]).
  • al-Kulaynī, Muḥammad ibn Yaʿqūb. (1987). Al-Kāfī. 8 dln. Teheran: Dār al-Kutub al-Islāmiyya. (Klassieke Twelver-ḥadithverzameling; bevat onder meer uitlatingen over Imam ʿAlī’s status).
  • al-Ṣadūq, Shaykh. (1997). Al-Amālī (samenkomst 38, blz. 604). Qum: Muʾassasat al-Biʿtha. (Beschrijft Imam ʿAlī’s wonder bij Khaybar: het uit de grond rukken van de poort en dat 40 man hem niet konden optillen[3]).
  • al-Mufīd, Shaykh. (1981). Kitāb al-Irshād. (Vert. I. K. A. Howard). Qum: Madressa-e Imam Alí. (Biografie van Imam ʿAlī; vermeldt o.a. de namen van de vijanden die door ʿAlī zijn gedood bij Badr[4], de uitspraak van Djibra’īl “lā fatā illā ʿAlī…” bij Uḥud[5], en de verhindering van Khālid’s moordplan op ʿAlī na faǧr[6]).
  • Ibn Shahrāshūb, Muḥammad. (1991). Manāqib Āl Abī Ṭālib (dln. 2–3). Qum: Markaz al-ʿĀlamī. (Middeleeuwse verzameling van Imam ʿAlī’s deugden en wonderen; een bron voor Khālid’s “halsband-episode”[7]).
  • al-Ṭabarī al-Imāmī (Abū Jaʿfar). (1995). Dalāʾil al-Imāmah. Beiroet: Dār al-ʿAḍwāʾ. (Bevat traditionele rapporten over de wonderen en tekenen van het imamschap van ʿAlī, zoals het verhaal van Khālid’s ijzeren halsband[^39][^40]).
  • al-Majlisī, Muḥammad Bāqir. (1983). Biḥār al-Anwār, 2e ed. (dln. 29, 39). Beiroet: Muʾassasat al-Wafāʾ. (Encyclopedische collectie van sjiitische overleveringen. Deel 29, blz. 161 e.v. bevat het verslag van Khālid’s halsbandincident[^39]; deel 39, blz. 1–3 vermeldt o.a. de ḥadith “De slag van ʿAlī op Khandaq is beter dan de aanbidding van thaqalayn”[^13] en haalt soennitische bronnen aan zoals al-Khwārizmī en Abū Hilāl al-ʿAskarī[8]).
  • al-Ḥillī, ʿAllāma. (1962). Minhāj al-Karāma fī Maʿrifat al-Imāma. Najaf: Maṭbaʿat al-Ḥaidarī. (Polemisch werk dat Imam ʿAlī’s superioriteit verdedigt; refereert aan Khālid’s nederlaag tegen ʿAlī waarbij “het zwaard van Allah werd omgebogen tot een halsband” in metaforische zin).
  • al-Balādhurī, Aḥmad. (1996). Ansāb al-Ashrāf, Vol. 1. Caïro: Dār al-Maʿārif. (Soennitische historische bron; bevestigt in summiere vorm dat Abū Bakr Khālid had opgedragen ʿAlī te doden en dat ʿAlī Khālid nadien fysiek overmeesterde[6]).
  • al-Ṭabarī, Muḥammad. (1987). Tārīkh al-Rusul wa-l-Mulūk (Geschiedenis van Profeten en Koningen), dl. 3. Leiden: Brill. (Belangrijke soennitische geschiedenis; beschrijft slag bij Khaybar en vermeldt volgens overlevering van Abū Rāfiʿ dat ʿAlī de gevallen schild nam door de poort te verwijderen en als schild/brug te gebruiken[9]).
  • al-Bukhārī, Muḥammad. (2011). Ṣaḥīḥ al-Bukhārī (Ed. Dār Ṭawq al-Najāt), ḥadith nr. 2963. (Soennitische ḥadith-collectie; bevestigt de profetische uitspraak vóór Khaybar: “Morgen zal ik de banier geven aan een man die Allah en Zijn Boodschapper liefheeft…” – waarmee ʿAlī werd bedoeld[^14]).

Secundaire en moderne bronnen:

  • Chirri, M. J. (1979). The Brother of the Prophet Muhammad: The Imam Ali (Vol. 1). Detroit: Islamic Center of America. (Bevat een Engelstalige biografie met analyse, citeert klassieke bronnen; refereert aan ʿAlī als vaandeldrager en held in elke beslissende strijd[10]).
  • Jaʿfar ʿAlam al-Hudā, Sayyid. (z.j.). “Hal hunāka khilāfāt bayn al-Imām ʿAlī (ʿa) wa-Khālid ibn al-Walīd?” (Is er onenigheid tussen Imam ʿAlī en Khālid?) – Research Rafed (online fatwa archief). (Antwoord dat de diverse confrontaties tussen ʿAlī en Khālid samenvat met bronverwijzingen[^29][^31][^33][^35]).
  • Islam4u – Markaz al-Ishrāq al-Islāmī. (2021). “Ḍarbatu ʿAlī yawm al-Khandaq” (De slag van ʿAlī op de dag van Khandaq). (Online artikel citeert Fakhr al-Rāzī’s vermelding van de beroemde uitspraak over ʿAlī’s slag[^13]).
  • Islamisches Zentrum Hamburg. (2014). Die Geschichte von ʿAlīs Hingabe (Laylat al-Mabīt) – Deutsche Übersetzung. Hamburg: IZH. (Moderne uitgave die de Laylat al-Mabīt-episode weergeeft op basis van overleveringen uit o.a. at-Thaʿlabī’s tafsīr en al-Ghazālī’s Ihyā’ ʿulūm ad-dīn[11][1]).
  • Muʿassasat al-Imām ʿAlī. (2017). Mawsūʿat Kalimāt al-Imām ʿAlī (ʿa). Najaf: Dar al-Maʿrifa. (Encyclopedie van uitspraken en overleveringen over Imam ʿAlī; bevat verwijzingen naar vele van de besproken riwāyāt, gebruikt ter verificatie en aanvulling).
  • Wikishia. (2020). “Qur’an 2:207” (Online encyclopedie-artikel)[12][13]. (Bevestigt volgens traditionele exegese dat deze āya over Imam ʿAlī’s opoffering geopenbaard werd[^19]).

[^1]: Zie bijv. al-Majlisī, Biḥār al-Anwār, dl. 29, blz. 161-162, waar de Laylat al-Mabīt-overlevering wordt weergegeven: Allah prijst ʿAlī’s bereidheid om zijn leven te geven en Djibra’īl roept verwonderd: “Bakhin bakhin, man mithluka yā ʿAlī?”[14][1]. Ook vermeld in Tafsīr-werken (bijv. al-Thaʿlabī, aangehaald in Ibn al-Biṭrīq’s ʿUmdah).

[^2]: Vgl. Chirri (1979), vol. 1, p. 73, en Shaykh al-Mufīd, Kitāb al-Irshād, waarin staat dat ʿAlī in alle veldslagen van de Profeet vocht en nooit onder bevel van een ander geplaatst werd[15].

[^3]: M.J. Chirri citeert (ibid.): “Ali was the hero and the bearer of the banner of the Messenger in every decisive battle.” Ook in talloze sīra-werken wordt ʿAlī steevast als vlaggendrager en meest vooraanstaande strijder genoemd.

[^4]: Shaykh al-Mufīd, al-Irshād, trans. Howard, p. 46-47 – vermeldt dat ʿAlī bij Badr in duel al-Walīd ibn ʿUtba doodde en vervolgens streed tegen de troepen[16][17].

[^5]: Ibid., p. 47-48. Mufīd somt de namen op van ~36 Mekkaanse strijders die door ʿAlī gedood werden, ongeveer de helft van het totale aantal vijanden dat bij Badr viel[18][4]. Dit wordt bevestigd in soennitische bronnen (bijv. Ibn Hishām’s Sīra).

[^6]: Ibn Hishām, Sīrat Rasūl Allāh, deel 2, p. 626-628, beschrijft hoe de moslims dankzij ʿAlī’s optreden en goddelijke hulp de overmacht wisten te verslaan. De Profeet’s smeekbede en de daaropvolgende overwinning zijn ook aangehaald in Qur’ān 8:9-14[19].

[^7]: Al-Mufīd, al-Irshād, p. 51-52 – detailleert hoe ʿAlī met één slag Ṭalḥa ibn Abī Ṭalḥa doodde en zo de Quraish-vaandeldrager uitschakelde, wat paniek bij de vijand zaaide[20].

[^8]: Ibid. ʿAlī versloeg ook meerdere familieleden van Ṭalḥa die na elkaar het vaandel oppakten; geen kon zijn zwaard weerstaan[21].

[^9]: Vgl. at-Ṭabarī, Tārīkh, dl. 2, p. 506-508 – de snelle val van de vaandeldragers demoraliseerde de Mekkanen bij Uḥud en leidde aanvankelijk tot hun vlucht.

[^10]: Qur’ān 3:152-153 verwijst hiernaar: de ongehoorzame boogschutters verlieten hun post voor de buit, waarna Khālid’s cavalerie van achteren aanviel[2]. Soennitische kronieken (o.a. al-Maghāzī van al-Wāqidī) beschrijven Khālid’s beslissende aanval op de open flank.

[^11]: al-Mufīd, al-Irshād, p. 52-54. ʿAlī verdedigde de gewonde Profeet en verzamelde de verspreide metgezellen door zijn moed. Hij voerde meerdere tegenaanvallen uit om de Profeet te ontzetten[22][23].

[^12]: Ibid., p. 54-55. Mufīd vermeldt via een keten (Qatāda → Saʿīd ibn al-Musayyib) dat Jibrīl en Radwān bij Uḥud riepen: “Lā fatā illā ʿAlī, lā sayf illā Dhū l-Fiqār”[5]. Deze uitspraak is ook overgeleverd in soennitische werken (bijv. al-Suyūṭī, Tārīkh al-Khulafāʾ, p. 171, op gezag van Ibn ʿAbbās).

[^13]: Biḥār al-Anwār, dl. 39, blz. 1-3. Majlisī citeert de Profeet: “Laḍarbatu ʿAlī yawm al-Khandaq afḍal min ʿibādat al-thaqalayn”. Hij verwijst naar soennitische bronnen die dit hebben overgeleverd, o.a. al-Khwārizmī’s Manāqib en Abū Hilāl al-ʿAskarī’s al-Awāʾil[8].

[^14]: Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, Kitāb al-Maghāzī (Ḥadith al-rāya), nr. 4210. Hierin zegt de Profeet vóór Khaybar letterlijk: “…uʿṭī al-rāya ghadān rajul(an) yuḥibbu-llāha wa-rasūlahu wa-yuḥibbuhu-llāhu wa-rasūluh. Karrār ghayr farrār…”, waarna ʿAlī werd geroepen om de vlag te krijgen.

[^15]: Shaykh al-Ṣadūq, al-Amālī, Majlis 38, blz. 604. Deze overlevering via ʿAbd Allāh ibn ʿUmar vermeldt het wonder van Khaybar: ʿAlī rukte de poort uit de grond en veertig man konden hem later niet tillen[3]. Zie ook Dalāʾil al-Imāmah (p. 45) voor soortgelijke rapportages.

[^16]: al-Majlisī, Biḥār al-Anwār, dl. 41, blz. 216-217. Bevat de anekdote (overgeleverd van ʿAʾisha bint Saʿd) waarin Abū Bakr getuigt van ʿAlī’s kracht bij Khaybar en de Profeet’s lachen & wenen verklaart. Majlisī citeert dit als aanvullende faḍīla van ʿAlī.

[^17]: Er bestaan meerdere varianten over het aantal mannen (8, 40, 70) dat vergeefs de poort trachtte op te tillen[24]. Deze discrepanties doen echter niets af aan de essentie: niemand kon wat ʿAlī had gedaan. Soennitische historici als Ibn Kathīr (al-Bidāya wa-n-Nihāya, dl. 4, p. 180) en al-Ṭabarī noemen ook dat ʿAlī de poort als schild gebruikte en dat “veel mannen” samen nodig waren om hem nadien te verplaatsen.

[^18]: Zie Qur’ān 9:25-26: vele moslims vluchtten bij Hunayn, “maar Allah zond toen rust over Zijn Boodschapper en de gelovigen…”. Sjiitische exegese identificeert ʿAlī als een van die standvastige gelovigen. In al-Ghadīr van al-Amīnī (dl. 8, p. 181) wordt vermeld dat ʿAlī bij Hunayn de banier droeg en standhield toen anderen vluchtten.

[^19]: Wikishia (Ar), art. “Laylat al-Mabit” (2021) – vermeldt tientallen tafsīrs (zoals die van al-Ṭabarī, Ibn Kathīr, al-Qummī, etc.) die Q2:207 aan ʿAlī’s nachtelijke opoffering koppelen[25]. Fakhr al-Rāzī noteert in zijn Tafsīr al-Kabīr (bij 2:207) eveneens dat volgens overlevering dit vers specifiek voor ʿAlī ibn Abī Ṭālib is geopenbaard.

[^20]: Ibn al-Biṭrīq, al-ʿUmdah fī ʿUyūn al-Ḥadīth (ed. 1411), p. 234-236 – citeert de tafsīr van al-Thaʿlabī over Q2:207, inclusief Allah’s woorden tot Djibra’īl en Mikāʾīl en hun neerdaling om ʿAlī te bewaken[11][1].

[^21]: Ibid. Hierin jubelt Djibra’īl bij ʿAlī’s hoofd: “Bakhin bakhin man mithluka yā ibn Abī Ṭālib, yubāhī Allāh bika al-malāʾika”[1]. Overgeleverd met vergelijkbare bewoordingen door o.a. al-Ghazālī (Iḥyāʾ ʿUlūm al-Dīn, dl. 3) en Ibn al-Athīr (al-Kāmil fī l-Tārīkh, gebeurtenis Hijra).

[^22]: Majlisī, Biḥār, dl. 29, blz. 165-166 – Khālid’s ijzeren band was zo strak dat geen smid of sterke man hem kon openen; sommigen dachten dat er magie in het spel was. Pas ʿAlī kon het losmaken[26][27].

[^23]: Heilige Koran, Soera Sabaʾ 34:10 – Allah’s gunst aan profeet Dāwūd: “Wij maakten het ijzer zacht voor hem.” Door Imam ʿAlī zelf aangehaald na het buigen van Khālid’s halsband, als bescheiden verklaring[^24].

[^24]: Majlisī, Biḥār, dl. 29, blz. 167. Wanneer ʿAlī de halsband van Khālid verbreekt, roepen de aanwezigen luid “Allāhu Akbar!” en “Lā ilāha illallāh!”, diep onder de indruk van dit goddelijke wonder[28][29].

[^25]: Ibid., dl. 29, blz. 166. Tijdens het afbreken van de band sloeg ʿAlī twee stukken tegen Khālid’s hoofd; Khālid riep “O Amīr al-Muʾminīn!”, waarop ʿAlī antwoordde dat hij die woorden ongewild sprak en anders het volgende stuk “uit zijn ingewanden” zou worden getrokken[30][31].

[^26]: Shaykh al-Mufīd, al-Irshād (hoofdstuk over de aanval op Fāṭima’s huis). Ook Majlisī, Biḥār, dl. 30, blz. 293-294, vermeldt op gezag van Imam al-Ṣādiq (a) dat Khālid, samen met ʿOmar en Qunfudh, Fāṭima al-Zahrāʾ heeft verwond tijdens de inval[32].

[^27]: al-Mufīd, al-Irshād, dl. 1, p. 184 (Ar. ed. Najaf) – beschrijft Abū Bakr’s initieel moordbevel en zijn spijt halverwege het gebed, waarna ʿAlī Khālid ter verantwoording roept. Al-Balādhurī’s Ansāb al-Ashrāf (vgl. ed. Beirut, 1996, dl. 1, p. 586) bevestigt dat Abū Bakr vlak vóór de taslīm riep om Khālid te stoppen.

[^28]: Zie vorige noot. Khālid’s bevestigende “Ja” op ʿAlī’s vraag (“Zou je het gedaan hebben?”) komt voor in Shīʿa-rapporten (bijv. in Kitāb Sulaym ibn Qays) alsook in latere soennitische narratieven van dit incident.

[^29]: Majlisī, Biḥār, dl. 28, blz. 270-271. Beschrijft ʿAlī’s twee-vinger-greep waarmee hij Khālid optilt en neersmakt, en dat Khālid’s staartbot brak en hij zijn kleren bevuilde. Al-Balādhurī, Ansāb, dl. 1, p. 587, noteert beknopt dat ʿAlī Khālid “bij de keel greep” en dat omstanders moesten ingrijpen[34].

[^30]: Overlevering in Dalāʾil al-Imāmah en bij Ibn Shahrāshūb (Manāqib, dl. 2) noemt Khālid “ka-annahu jamal” – “(zo groot) als een kameel” – om zijn fysieke omvang te schetsen.

[^31]: al-Majlisī, Biḥār, dl. 28, blz. 271. Abū Dharr’s getuigenis: ʿAlī kneep nóg een maal, Khālid schreeuwde als een dier en bevuilde zich opnieuw, trappelend van angst.

[^32]: Ibid., vergelijkbaar verslag van Abū Dharr staat in Manāqib Ibn Shahrāshūb, dl. 2, p. 287.

[^33]: Ibid., blz. 272. ʿAmmār ibn Yāsir’s versie: “…als een kalf, loeiend als een kameel, en hij piste zich onder in de moskee.” Ook gerapporteerd in Rijāl al-Kashshī (Beirut ed., p. 77) in de biografie van ʿAmmār.

[^34]: Dalāʾil al-Imāmah, p. 45-46 – Khālid zwoer wraak na de moskee-episode en bleef plannen smeden om ʿAlī te doden. Nooit durfde hij echter frontaal de strijd aan.

[^35]: Wikishia (En), art. “Murder of Malik b. Nuwayra”. Bronnen: al-Ṭabarī’s Tārīkh, Ibn Abī Shayba’s Muṣannaf etc., bevestigen Khālid’s executie van Malik en zijn seksueel misdrijf met Mālik’s vrouw in 11 AH.

[^36]: al-Ṭabarī, Tārīkh, dl. 3, p. 276-279 (Eng. trans. vol. 10, p. 80-84). ʿOmar eiste Khālid’s straf (doden & stenigen) voor de moord op Mālik en zina met diens vrouw; Abū Bakr weigerde en noemde Khālid een “zwaard van Allah” dat hij niet wilde breken.

[^37]: Ibid., p. 279. De woorden van Abū Bakr: “innahu sayfun min suyūf-illāh sallatahu ʿala l-mushrikīn” – overgeleverd o.a. door Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī in Al-Iṣāba, no. 8101.

[^38]: Ibn Kathīr, al-Bidāya wa-n-Nihāya, dl. 6, p. 366-368. Toen ʿOmar kalief werd, ontnam hij Khālid prompt het bevel en hield hem onder toezicht te Medina. ʿOmar noemde hem “excessief in bloedvergieten”.

[^39]: al-Majlisī, Biḥār, dl. 29, blz. 161, ḥadith 37. Geeft de lange “ḥadith al-ṭawq” over Khālid’s halsband, via overleveraars als Ǧābir al-Anṣārī en Ibn ʿAbbās. Majlisī vermeldt uitdrukkelijk zijn bronnen: o.a. Ibn Shahrāshūb’s Manāqib (dl. 2, p. 290) en al-Ṭabarī al-Imāmī’s Dalāʾil al-Imāmah[7].

[^40]: Dalāʾil al-Imāmah, p. 46-50. Bevat Khālid’s smeekbede tot ʿAlī om genade, zijn klacht bij Abū Bakr, de uitspraak dat “100 man” de band niet konden openen en alleen door verhitten (met de dood tot gevolg) het zou lukken[35][26]. Zie ook Rafed Q&A (Alam al-Hudā, 2020) voor samenvatting[6][36].

[^41]: Dalāʾil al-Imāmah, p. 45. Noemt de namen van de getrouwen bij ʿAlī in Rābiġ: naast de vier Grote Metgezellen (Salmān, Abū Dharr, Miqdād, ʿAmmār) ook al-Zubayr en twee zonen van ʿAqīl ibn Abī Ṭālib, die allen ontevreden waren over Abū Bakr’s khilāfa.

[^42]: Ibn Shahrāshūb, Manāqib, dl. 2, p. 284-285. “…wa-lahum fī qudūm Khālid ḥanq wa-ḥasad, taʾajjat ʿuyūnuhum ʿalayhi shuzran…” – hun ogen spuwden vuur van woede en afgunst toen Khālid verscheen.

[^43]: Ibid. ʿAmmār sprak Khālid sarcastisch aan op zijn misdaden bij de ridda: “mā qatalta illa ḍuʿafāʾa…” etc. Dit maakte Khālid woedend.

[^44]: Ibid., p. 285. ʿAlī’s opmerking: “Niʿma al-qilāda qilādatuka yā Khālid” – verwijzend naar de naderende straf die Khālid nog niet begreep.

[^45]: Ibid., p. 285-286. Khālid dreigt ʿAlī met de dood; verschillende rapporten geven varianten van zijn arrogante uitspraak.

[^46]: Ibn Shahrāshūb, Manāqib, dl. 2, p. 286. Beschrijft hoe ʿAlī Khālid van zijn paard sleurt en de ijzeren quṭb al-raḥā om zijn nek buigt “ka-l-ʿalk al-musaḫḫan” (als verwarmd deeg)[37][38]. Een vrijwel identieke beschrijving staat in Majlisī, Biḥār, dl. 29, p. 162-163.

[^47]: Ibid., p. 286. “fa-waqafa aṣḥābuhu ka-annahum nazarū malaka mawtihim…” – zijn mannen verstijfden alsof zij hun doodsengel zagen[39][40]. Majlisī’s versie voegt toe dat later “meer dan honderd” mannen tevergeefs probeerden de band te verwijderen[26].

[^48]: Dalāʾil, p. 47; Manāqib, dl. 2, p. 287. Khālid reed Medina binnen “wa-ṭawq al-ḥadīd fī ʿunqih”, tot verbijstering van de mensen die hem uitlachten[41][42].

[^49]: Ibid. De spot van de toeschouwers is overgeleverd; sommigen riepen dat het “Allah’s wraak” was die Khālid droeg.

[^50]: Manāqib, dl. 2, p. 287-288. Khālid kleineert Abū Bakr: “mā laka wa-li-siyāsat al-ǧuyūsh… mārtafaʿta illā ka-ṭāfīyyat al-samak…” etc.[43][44].

[^51]: Ansāb al-Ashrāf, dl. 1, p. 589 (ḥadith Qays). Hier wordt Qays’ enorme gestalte genoemd. Ook Majlisī, Biḥār, dl. 29, p. 163.

[^52]: Manāqib, dl. 2, p. 288. ʿOmar erkent dat Qays “de sterkste man is ná ʿAlī”.

[^53]: Ibid. Qays: “lawlam yaqdiri ʿalayhi sayfu-llāh, fa-annī lā aqdiru ʿalayhi” – als zogenaamd Allah’s zwaard (Khālid) het niet kan, waarom zou ik het kunnen?

[^54]: Ibid., dl. 2, p. 288. Qays noemt ʿOmar spottend “ibn al-nimr” (zoon van de luipaard) en bekritiseert zijn buikomvang.

[^55]: Ibid. Qays geeft toe dat hij Abū Bakr enkel uit wereldse overweging gehoorzaamde, niet in overtuiging.

[^56]: Ibid., p. 289. Vurig pleidooi van Qays: hij haalt Ghadīr aan en noemt Abū Bakr’s kalifaat onrechtmatig.

[^57]: Majlisī, Biḥār, dl. 29, p. 164. Overeenkomstige rede van Qays, met extra details van zijn woorden tegen ʿOmar.

[^58]: Manāqib, dl. 2, p. 289. Scherpe quotes van Qays over Abū Bakr: “khabī manḥūr, dīkhu l-mutaḥabbir ghayru dhī nasab…”.

[^59]: Ibid. Qays weigert de band te verwijderen en stuurt hen naar de smeden.

[^60]: Majlisī, Biḥār, dl. 29, p. 164. Qays verlaat verontwaardigd de vergadering.

[^61]: Ibid., p. 165. Abū Bakr stuurde eerst iemand als tussenpersoon (sommigen zeggen ʿAbd al-Raḥmān ibn ʿAwf) naar ʿAlī’s huis.

[^62]: al-Mufīd, al-Irshād, dl. 1, p. 183. Voorval van Saqīfa/Ghadīr wordt vaak aangehaald door ʿAlī wanneer hem verweten werd niet te “coöpereren”.

[^63]: ʿAlī’s voorspelling is o.a. overgeleverd in Nahj al-Balāgha, Sermon 3 (al-Shiqshiqiyya), waar hij spreekt over zijn rechten en de veronachtzaming daarvan.

[^64]: Majlisī, Biḥār, dl. 29, p. 165. ʿAlī’s woorden via een boodschapper: hij zou hen thuis ontvangen.

[^65]: Dalāʾil al-Imāmah, p. 49. De ontmoeting met de jonge Ḥusayn aan de deur illustreert de pijnlijk ironische situatie (Ḥusayn met ʿAlī’s zwaard spelend).

[^66]: Majlisī, Biḥār, dl. 29, p. 165-166. Hier herhaalt ʿAlī zijn begroeting aan Khālid, duidend op diens “sieraad” om de nek[45][46].

[^67]: Ibid., p. 166. Khālid’s dreigende uitspraak en ʿAlī’s scherpe antwoord zijn hier geciteerd[47][48].

[^68]: Manāqib, dl. 2, p. 290. ʿAlī noemt Khālid “ibn Dimīma” (naar diens beruchte moeder) en vergelijkt zijn waardigheid met die van een vlieg; dreigt hem net zo makkelijk te verpletteren.

[^69]: Ibid. “bi-lladhī falaqa l-ḥabba… la-ursilannaka ilā man huwa awlā bika…” – ʿAlī waarschuwt dat hij Khālid zo nodig meteen naar zijn “verdere bestemming” (de hel) zal helpen.

[^70]: Ibid., p. 290. ʿAlī voorspelt Khālid’s lot: zijn eigen ziel in het Paradijs, die van Khālid in het Vuur. Vergelijkbaar met overleveringen bij al-Ṣaffār al-Qummī.

[^71]: Majlisī, Biḥār, dl. 29, p. 166. Bevestigt deze uitspraak.

[^72]: Ansāb al-Ashrāf, dl. 1, p. 589. Abū Bakr onderbrak de discussie uit angst dat Khālid wéér ʿAlī’s woede zou opwekken.

[^73]: Majlisī, Biḥār, dl. 29, p. 166-167. Abū Bakr’s smeekbede om genade voor Khālid wordt hier uitvoerig geciteerd[49].

[^74]: Manāqib, dl. 2, p. 290. Abū Bakr geeft impliciet toe dat ʿAlī Khālid al genoeg gestraft heeft en smeekt om vergeving.

[^75]: Ibid., p. 290-291. ʿAlī’s tegenantwoord: hij houdt Abū Bakr voor dat híj degene is die dwarsligt, niet ʿAlī, aangezien de Profeet hén aan ʿAlī had onderworpen bij Ghadīr.

[^76]: Majlisī, Biḥār, dl. 29, p. 167.

[^77]: Ibid., p. 167. ʿAlī refereert aan een voorspelling van de Profeet dat hij pas zou vechten bij drie later gelegen veldslagen (tegen “nakithīn, qāsiṭīn, māriqīn” – respectievelijk de strijders van Basra, Syrië en de Khārijieten).

[^78]: al-Ṭabarī al-Imāmī, Dalāʾil, p. 50.

[^79]: Manāqib, dl. 2, p. 291. ʿAlī verklaart zijn geduld: geweld gebruiken in Medinese post-Fatā scenario zou de islam hebben geschaad.

[^80]: Majlisī, Biḥār, dl. 29, p. 167-168.

[^81]: Ibid., p. 168. Overlevering: Abū Bakr fluisterde ʿOmar toe dat als ʿAlī echt had gewild, hij hen beide moeiteloos had kunnen doden (met één hand).

[^82]: Ibid., p. 168. Abū Bakr zet zijn toon om naar smeken en beroept zich op de band tussen ʿAlī en de Profeet. Majlisī citeert dit.

[^83]: Ibid., p. 168-169. ʿAlī was gauw bereid anderen te vergeven als men een beroep deed op zijn barmhartigheid.

[^84]: Manāqib, dl. 2, p. 291.

[^85]: Majlisī, Biḥār, dl. 29, p. 169-170. Geeft de scène van het verwijderen van de band en Khālid’s pijnkreten “Yā Amīr al-Muʾminīn!”[30][31].

[^86]: Ibid., p. 170. Beschrijft hoe de aanwezigen Allah loofden bij het zien van ʿAlī’s wonder en vol dank vertrokken[28][29].

[^87]: Bij de nachtelijke Hijra (622) is volgens sjiitische bronnen Khālid met gewapenden naar ʿAlī’s huis gekomen om de Profeet te doden. ʿAlī, slapend in de Profeet’s bed, wist Khālid te ontwapenen en joeg de aanvallers uiteen. Zie o.a. Mawsūʿat Imām ʿAlī, dl. 9, p. 289.

[1] [11] [14] مبيت الإمام علي عليه السلام في فراش رسول الله صلى الله عليه وآله

https://almerja.com/more.php?idm=76601

[2] [4] [10] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] Q-Wiki | Main / Hazrat `Ali – Part 3 – Hazrat `Ali as the Foremost Defender of Islam

https://www.monoreality.org/qwiki/pmwiki.php?n=Main.HazratAli4

[3] الأمالي – الشيخ الصدوق – الصفحة ٦٠٤

http://shiaonlinelibrary.com/%D8%A7%D9%84%D9%83%D8%AA%D8%A8/1134_%D8%A7%D9%84%D8%A3%D9%85%D8%A7%D9%84%D9%8A-%D8%A7%D9%84%D8%B4%D9%8A%D8%AE-%D8%A7%D9%84%D8%B5%D8%AF%D9%88%D9%82/%D8%A7%D9%84%D8%B5%D9%81%D8%AD%D8%A9_602

[5] [22] [23] themahdi.wiki

https://themahdi.wiki/english/books/kitab_al-irshad_part_1.pdf

[6] [34] [36] هل هناك خلافات بين الإمام علي عليه السلام وخالد بن الوليد ؟

https://research.rafed.net/%D8%A3%D8%B3%D8%A6%D9%84%D8%A9-%D9%88%D8%B1%D8%AF%D9%88%D8%AF/221-%D8%A7%D9%84%D8%A5%D9%85%D8%A7%D9%85-%D8%B9%D9%84%D9%8A-%D8%B9%D9%84%D9%8A%D9%87-%D8%A7%D9%84%D8%B3%D9%84%D8%A7%D9%85/4022-%D9%87%D9%84-%D9%87%D9%86%D8%A7%D9%83-%D8%AE%D9%84%D8%A7%D9%81%D8%A7%D8%AA-%D8%A8%D9%8A%D9%86-%D8%A7%D9%84%D8%A5%D9%85%D8%A7%D9%85-%D8%B9%D9%84%D9%8A-%D8%B9%D9%84%D9%8A%D9%87-%D8%A7%D9%84%D8%B3%D9%84%D8%A7%D9%85-%D9%88%D8%AE%D8%A7%D9%84%D8%AF-%D8%A8%D9%86-%D8%A7%D9%84%D9%88%D9%84%D9%8A%D8%AF-%D8%9F

[7] [43] [44] أمير المؤمنين يطوق رقبة خالد بن الوليد – منتدى الكفيل

https://forums.alkafeel.net/node/992347

[8] بحار الأنوار – العلامة المجلسي – ج ٣٩ – الصفحة ٢

http://shiaonlinelibrary.com/%D8%A7%D9%84%D9%83%D8%AA%D8%A8/1470_%D8%A8%D8%AD%D8%A7%D8%B1-%D8%A7%D9%84%D8%A3%D9%86%D9%88%D8%A7%D8%B1-%D8%A7%D9%84%D8%B9%D9%84%D8%A7%D9%85%D8%A9-%D8%A7%D9%84%D9%85%D8%AC%D9%84%D8%B3%D9%8A-%D8%AC-%D9%A3%D9%A9/%D8%A7%D9%84%D8%B5%D9%81%D8%AD%D8%A9_4

[9] قلع باب خيبر

https://www.almerja.com/more.php?idm=127884

[24] قلع باب خيبر.. أحداث وتفاصيل – موقع الميزان

https://www.mezan.net/sayed_ameli/books/s_nabi/18/02.html

[25] مقالات في مناقب المرتضى 22 : منقبة «المبيت على فراش النبي ليلة …

https://www.kitabat.info/subject.php?id=191567

[32] الموسوعة الكبرى عن فاطمة الزهراء(ع) – الأنصاري الزنجاني، إسماعيل

https://ar.lib.eshia.ir/86597/11/64

Klik voor PDF bestand

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven