Zijne Eminentie al‑Marjaʿ Sayyed Sadiq al-Husayni al‑Shīrāzī
Nederlandse vertaling conform de originele Arabische tekst
Klik om de tekstversie te lezen
De negende van Rabīʿ al‑Awwal is de Tweede Ghadīr en de dag van vieren en tabarrī
Zijne Eminentie al‑Marjaʿ Sayyed Sadiq al-Husayni al‑Shīrāzī
Nederlandse vertaling conform de originele Arabische tekst
In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.
Ik feliciteer alle gelovigen en moslims met het feest van de negende dag van Rabīʿ al‑Awwal. Ik vraag Allah, de Verhevene, bij het recht van onze Meesteres, de waarachtige, rein‑zuivere Fāṭima al‑Zahrā’ (moge Allah’s zegeningen over haar zijn), dat wij op deze dag het hoogste voorbeeld en het meest sprekende model zijn van het vieren (taʿyīd).
Deze dag valt op de negende van Rabīʿ al‑Awwal, en in een betrouwbare overlevering is er naar verwezen als “de Tweede Ghadīr”.
Sayyed Ibn Ṭāwūs (moge Allah hem genadig zijn) zegt in zijn boek “Zawāʾid al‑Fawāʾid”: Ibn Abī al‑ʿAlāʾ al‑Hamadānī al‑Wāsiṭī en Yaḥyā ibn Muḥammad ibn Ḥuwayj al‑Baghdādī hebben beiden overgeleverd van Aḥmad ibn Isḥāq al‑Qummī, de metgezel van Abū al‑Ḥasan al‑ʿAskarī (vrede zij met hem) in de stad Qom, van Abū al‑Ḥasan ʿAlī ibn Muḥammad al‑ʿAskarī (vrede zij met hem), dat deze dag de dag van (de Tweede Ghadīr) is.
Deze overlevering van Aḥmad ibn Isḥāq wordt door ʿAllāma al‑Majlisī (moge Allah hem genadig zijn) weergegeven in “Biḥār al‑Anwār”, deel 95, via Sayyed Ibn Ṭāwūs, met een keten die eindigt bij imam al‑Hādī (vrede zij met hem).
De keten van deze overlevering – op zichzelf en afzonderlijk bezien – heeft geen bindende bewijskracht, vanwege de aanwezigheid van onbekende personen in de keten, ook al zijn zij niet expliciet zwak bevonden.
Contextuele aanwijzingen (qarāʾin) bij de overlevering
Het lijkt er echter op dat deze overlevering omgeven wordt door aanwijzingen. Het is bekend dat één van de gevallen waarin een overlevering als bewijzend kan gelden, is wanneer zij omgeven is door aanwijzingen die een redelijke, algemene of persoonlijke geruststelling geven over haar herkomst of over de herkomst van haar strekking van de Onfeilbare. Tot de geruststellende aanwijzingen die deze overlevering omgeven, behoren:
1) Sayyed Ibn Ṭāwūs zelf – een kenner bij uitstek op dit terrein, met een omvangrijk werk over rijāl (biografische kritiek) dat later door de auteur van “al‑Maʿālim” werd samengevat en geredigeerd als “al‑Taḥrīr al‑Ṭāwūsī” – heeft deze overlevering omschreven als “van groot gewicht”.
2) Hij schrijft deze overlevering ook toe aan het ‘handelen van een groep’ (ʿamal jamāʿa). Dit is eveneens een grond waarop veel rechtsgeleerden haar toepassen: zij compenseren de onbekendheid van de keten door het feit dat een groep rechtsgeleerden ernaar heeft gehandeld.
3) Verder zegt Sayyed Ibn Ṭāwūs dat er – in overeenstemming met deze overlevering – meerdere overleveringen zijn overgeleverd bij al‑Ṣadūq (moge Allah hem genadig zijn). Wij hebben in de ons beschikbare werken van al‑Ṣadūq die overleveringen niet aangetroffen, maar het enkele gegeven dat Sayyed Ibn Ṭāwūs heeft gemeld dat al‑Ṣadūq overleveringen van deze strekking had, volstaat om het bestaan van dergelijke overleveringen aannemelijk te achten, aangezien de overdracht door Sayyed Ibn Ṭāwūs betrouwbaar en gezaghebbend is.
Dat die overleveringen ons niet hebben bereikt, kan diverse oorzaken hebben: wellicht heeft Shaykh al‑Ṣadūq ze niet in zijn boeken opgenomen uit consideratie voor bepaalde politieke omstandigheden, of behoorden de werken waarin hij ze vermeldde tot de vele boeken die verbrand zijn. Tientallen boeken van al‑Ṣadūq zijn verloren gegaan en slechts bij titel overgeleverd; de inhoud zelf is teloorgegaan in de misdaden van het in brand steken van bibliotheken die een fors deel van het sjiitische erfgoed hebben getroffen. Tot de meest prominente werken van Shaykh al‑Ṣadūq die zijn verloren gegaan en ons niet hebben bereikt, behoort zijn bekende boek “Madīnat al‑ʿIlm”.
4) De bekende rechtsgeleerden – of althans vrijwel de bekende – hebben naar deze overlevering gehandeld in het hoofdstuk van de rituele wassing (aġsāl): zij vermelden dat de rituele wassing op de negende van Rabīʿ al‑Awwal aanbevolen is. Dit betekent dat er ook binnen de fiqh in algemene zin naar gehandeld is.
Wanneer wij deze aanwijzingen samenvoegen, is het niet ver om aan te nemen dat er een voldoende mate van geruststelling ontstaat dat deze overlevering van de Onfeilbare afkomstig is.
Duiding van de overlevering
Over deze dag is gezegd dat het de Tweede Ghadīr is. Sommigen hebben gesteld dat dit de eerste dag is van het imamaat van de Verwachte Ḥujja (moge Allah zijn verschijning bespoedigen en vrede en zegeningen over hem). Dit is echter niet toereikend: de martelaarsdood van imam al‑Ḥasan al‑ʿAskarī (vrede zij met hem) vond plaats op de achtste van Rabīʿ al‑Awwal. En aangezien het volgende imamaat aanvangt op het moment dat de voorgaande imam martelaar wordt – “want de aarde is nooit zonder Allahs bewijs” – betekent dit dat het uiterlijke imamaat van imam al‑Mahdī (moge Allah zijn verschijning bespoedigen) begon op de achtste van Rabīʿ al‑Awwal, en niet op de negende, die dan de tweede dag van zijn imamaat is.
De aanduiding in de overlevering dat deze dag de Tweede Ghadīr is, moet daarom begrepen worden in het licht van het feit dat dit de dag is van tabarrī – het zich distantiëren van Allahs vijanden – zoals uit de genoemde overlevering duidelijk wordt.
Shaykh al‑Mufīd zegt in “al‑Muqniʿa”: “De loyaliteit (wilāya) aan Allahs vrienden is verplicht en daarmee staat het geloof overeind, en de vijandschap jegens Zijn vijanden is onder alle omstandigheden verplicht.” (1)
Wanneer wij de twee begrippen tawallī en tabarrī – waar Shaykh al‑Mufīd (moge Allah hem genadig zijn) naar verwees – in ogenschouw nemen, begrijpen wij dat de aanduiding van deze dag als de Tweede Ghadīr inhoudt dat het de dag van tabarrī is, nadat de Eerste Ghadīr de dag van tawallī was; zo wordt de islamitische geloofsleer compleet door beide ‘vleugels’.
De twee pijlers van religie en geloofsleer
Tawallī (loyaliteit aan Allahs vrienden) en tabarrī (zich afkeren van Allahs vijanden) zijn de twee basispijlers van de wortels van de religie en de geloofsleer. Tawḥīd is immers niets anders dan het afwijzen van al het andere dan Allah en het je uitsluitend tot Hem wenden; nubuwwa (profeten-zijn) betekent het toewenden tot Allahs profeten – met aan het hoofd de laatste en meester der profeten, Muḥammad al‑Muṣṭafā (Allah zegene hem en zijn Familie) – en het zich distantiëren van hun vijanden. Evenzo is imāma: loyaliteit aan de onfeilbare imams (vrede zij met hen) en distantie nemen van hun vijanden.
Ghadīr is de manifestatie van zowel tawallī als tabarrī, die de twee pijlers van de geloofsleer vormen. Als de 18e van Dhū al‑Ḥijja de dag is van de Eerste Ghadīr waarin de tawallī jegens de Vorst der Gelovigen en de overige imams (vrede zij met hem en met hen) schittert, dan is de 9e van Rabīʿ al‑Awwal de dag waarop tabarrī jegens al hun vijanden zichtbaar wordt.
Allah, de Verhevene, zegt in Zijn Nobele Boek: “Je zult geen volk vinden dat in Allah en de Laatste Dag gelooft, dat vriendschap koestert voor wie zich tegen Allah en Zijn Boodschapper verzet…” (2). Dit betekent dat loyaliteit aan Allahs vrienden en genegenheid voor Zijn vijanden niet samengaan in de islam; veeleer is islam: loyaliteit aan Allah en aan Zijn vrienden – dat is de eerste pijler, waaraan de Eerste Ghadīr is gewijd – en distantie nemen van Zijn vijanden en de vijanden van Zijn vrienden – dat is de tweede pijler, waaraan de Tweede Ghadīr is gewijd.
De ondubbelzinnige, authentieke en massaal overgeleverde (mutawātir) overleveringen op dit terrein zijn zeer talrijk, ondanks de moeilijkheden die de onfeilbare imams (vrede zij met hen) ondervonden bij het uiteenzetten van deze betekenis.
De 9e Rabīʿ al‑Awwal als feestdag (ʿĪd)
De religieuze feestdagen zijn in de islam beperkt in aantal. Een dag wordt slechts tot feestdag gerekend als dat door de wetgever is vastgesteld. Er zijn zeer grootse dagen in de islam die niet tot feestdagen zijn gemaakt, omdat de heilige wet ze niet als zodanig heeft benoemd, zoals de nacht van halverwege Rajab, de Nacht van de Beslissing (Laylat al‑Qadr) en de dag van ʿArafa, ondanks hun grootsheid. De feestdagen waarover expliciete tekst is overgeleverd, zijn er vier: vrijdag, al‑Fiṭr, al‑Aḍḥā en Ghadīr.
De geleerde, de auteur van “Jawāhir al‑Kalām” (moge Allah hem genadig zijn), heeft echter uit deze overlevering begrepen dat ook deze dag (de 9e van Rabīʿ al‑Awwal) tot de islamitische feestdagen behoort. Hij schrijft: “Ik ben gestuit op een bericht met een keten tot de Profeet (Allah zegene hem en zijn Familie) over de deugd, eer en zegen van deze dag, en dat het een dag van vreugde is voor hen (vrede zij met hen), hetgeen de geest in verwarring brengt… terwijl het ook een feestdag is voor ons en voor onze imams.” (3)
De Tweede Ghadīr – twee implicaties
De uitdrukking “de Tweede Ghadīr” kan, zo lijkt het, twee zaken impliceren:
1) Dat het ‘de tweede’ is, houdt een soort ‘regeren’ en uitbreiding van het eerste bewijs in. Met andere woorden: aangezien de overleveringen de Eerste Ghadīr expliciet tot feestdag hebben verklaard, betekent de kwalificatie van deze dag als “de Tweede Ghadīr” dat het tweede bewijs het eerste uitbreidt en er als het ware over ‘regeert’; het begrip ‘feest’ omvat dan beide en niet slechts de eerste.
Voorbeelden: In de fiqh is staan (qiyām) verplicht in het gebed, en zitten is slechts geoorloofd als iemand niet in staat is te staan. De rechtsgeleerden zeggen echter dat wie niet tot volledig staan in staat is, niet onmiddellijk naar zitten overgaat: de lagere gradaties van staan tellen nog steeds als ‘staan’. Pas wie tot geen enkele vorm van staan in staat is, gaat over op zitten. Dit is omdat de rechtsgeleerden het bewijs voor ‘staan’ uitbreiden, zodat ook het onvolledige staan daaronder valt.
Evenzo geldt bij wudūʾ of ghuṣl: wie niet in staat is tot een normale ghuṣl, verricht tayammum in plaats daarvan – maar in plaats van welke ghuṣl? Zij zeggen: in plaats van de ghuṣl die in geen van haar gradaties mogelijk is; pas dan is tayammum aan de orde. Anders ‘regeert’ het bewijs voor de ghuṣl met verband (jabīra) over het algemene bewijs van volledige ghuṣl, en wordt ghuṣl al‑jabīra via dat regerende bewijs eveneens als ‘ghuṣl’ aangemerkt.
Zo ook hier: de uitdrukking “de Tweede Ghadīr” breidt de Ghadīr uit waarover de overleveringen spreken en die als feestdag is aangemerkt. Als Ghadīr in het algemeen een feestdag is, dan is de Tweede Ghadīr per definitie eveneens een Ghadīr, en dus ook een feestdag. Anders gezegd: als wij zeggen dat Ghadīr de grootste van de vier feestdagen is, dan geldt dat in zijn volledige varianten – waaronder de Tweede Ghadīr.
2) Het tweede punt is dat het woord “tweede” niet uit zichzelf impliceert dat de eerste belangrijker zou zijn. Alleen bij een ‘vervanging’ (badal) heeft het vervangen object voorrang op de vervanger. Uit loutere tijdelijke volgorde volgt geen superioriteit van de eerdere over de latere. De vraag welke belangrijker is – tawallī of tabarrī – vergt bewijsvoering uit andere bronnen.
Wij vragen Allah, de Verhevene – door de zegen van de Waarachtige, de Waarachtige Vrome (al‑Ṣiddīqa al‑Ṭāhira), Fāṭima al‑Zahrā’ (vrede zij met haar), aan wie deze dag wordt toegeschreven – dat Hij ons maakt tot hen die de waarde van Ghadīr kennen, en dat wij ons inspannen om de middelen van leiding te verschaffen voor hen die niet dichtbij de Ahl al‑Bayt (vrede zij met hen) staan, opdat ook zij door hun licht geleid worden en tot degenen behoren die Ghadīr kennen. Allah is nabij en verhoort (de smekingen).
De dag van tabarrī van de vijanden van de Ahl al‑Bayt
In de betrouwbare overlevering over de negende van Rabīʿ al‑Awwal is vermeld dat dit de feestdag van de Ahl al‑Bayt is. (4) Eerder heb ik – om het betoog compleet te maken – meerdere aanwijzingen voor de geldigheid van die overlevering genoemd. De overlevering van Aḥmad ibn Isḥāq is gezaghebbend in niet‑verplichte aangelegenheden (al‑lā‑iqtiḍāʾiyyāt) en ook wat betreft het feit dat de genoemde dag een feestdag is.
Uiteindelijk is de overlevering gezaghebbend óf wat betreft de keten – en dat is zij – óf op grond van de ‘coulance‑regel in bewijsvoeringen voor aanbevolen daden’ (qāʿidat al‑tasāmuḥ fī adillat al‑sunan).
De usūl‑ en fiqh‑geleerde Mīrzā al‑Nāʾīnī heeft in tal van kwesties gesteld: als wij een zwakke overlevering hebben waarnaar een groep van de metgezellen (al‑aṣḥāb) heeft gehandeld, dan compenseert hun handelen die zwakte en wordt de overlevering gezaghebbend. Let erop dat de uitdrukking “een groep van de metgezellen” verschilt van “de bekenden (mashhūr)” of “alle metgezellen”. In de kwestie van de aanbeveling van de rituele wassing op de genoemde dag heeft de bekende meerderheid (al‑mashhūr) ernaar gehandeld.
Wat de ‘coulance‑regel’ betreft – de andere grond voor de juistheid van de genoemde overlevering – daarvoor bestaan veel toepassingen. Ik noem hier één voorbeeld om de geruststelling bij de gerespecteerde geleerden te versterken:
Verschillende personen hebben de lessen over het gebed (Kitāb al‑Ṣalāh) van wijlen al‑Nāʾīnī op schrift gesteld. Die notities zijn in diverse edities uitgegeven. In deel 1, p. 16 van één van de oude edities staat dat al‑Nāʾīnī heeft genoemd: het is aanbevolen om vier rakaʿāt te verrichten na de verplichte ʿishāʾ‑gebed. Deze vier rakaʿāt verschillen van de bekende nawāfil. Het betreft een afzonderlijke vorm van aanbidding, en er is slechts één bewijsplaats voor: de overlevering die wijlen al‑Nāʾīnī als ‘zwak’ kwalificeerde. De reden van die zwakte is dat Shaykh al‑Ṭūsī haar overlevert via Ibn Muḥammad ibn al‑Ḥasan ibn al‑Walīd – dat wil zeggen: Aḥmad ibn Muḥammad ibn al‑Ḥasan ibn al‑Walīd – van diens vader met zijn keten tot onze Meester imam al‑Ṣādiq (vrede zij met hem).
Aḥmad ibn Muḥammad ibn al‑Ḥasan ibn al‑Walīd heeft geen specifieke betrouwbaarheidstoekenning, daarom verschilden geleerden over zijn status. Toch is hij door een groep – waaronder ikzelf – als gezaghebbend beschouwd. Wijlen al‑Nāʾīnī deed dat niet, en tóch gaf hij een fatwa voor de aanbeveling van dat gebed.
En bedenk: dat gebed is een nieuwe vorm van gebed die alleen langs de weg van Aḥmad ibn al‑Ḥasan ibn al‑Walīd is overgeleverd. Al‑Nāʾīnī zei: “Daar is niets op tegen nadat de overlevering is gecompenseerd door het handelen van sommige metgezellen en op grond van de coulantere benadering in de bewijsvoeringen voor aanbevolen daden.”
Al‑Nāʾīnī noemde dus twee gronden: compensatie van de ketenzwakheid door handelen (jabr al‑sanad), en de coulance‑regel (qāʿidat al‑tasāmuḥ). Met andere woorden: zelfs al zou men de coulantere regel niet toereikend vinden om de aanbeveling van dat gebed te bewijzen, dan blijft de compensatie van de keten de andere grond.
Zo is de overlevering van Aḥmad ibn Isḥāq gezaghebbend op basis van deze drie gronden. En in deze gezaghebbende overlevering wordt de negende van Rabīʿ al‑Awwal beschreven als “de feestdag van de Ahl al‑Bayt” (vrede zij met hen).
ʿĪd van tawallī en ʿĪd van tabarrī
Wij hebben twee feestdagen: het feest van tawallī – dat is Ghadīr – en het feest van tabarrī – dat is de negende van Rabīʿ al‑Awwal.
Wie de boeken over morfologie en taal raadpleegt, ziet dat het patroon tafaʿʿul (تفعّل) vaak gebruikt wordt voor het ‘tonen’ of ‘manifesteren’ van iets, en niet enkel voor het innerlijk geloven daarin. Met andere woorden: de overheersende betekenis van tafaʿʿul is de praktische uiting.
Bij wijze van voorbeeld: wie de Ahl al‑Bayt (vrede zij met hen) liefheeft en hun vijanden haat – overeenkomstig de (waarschijnlijk) massaal overgeleverde uitspraak: “Is de religie iets anders dan liefde en afkeer?” (5) – die geeft aan zijn tawallī de vorm dat hij zijn liefde en zijn afkeer, naar vermogen, zichtbaar maakt. Een aanwijzing hiervoor is het woord al‑tashahhud, dat verschilt van al‑shahāda. Kan men iemand die alleen in zijn hart gelooft in de eenheid van Allah en in de profeetschap van Zijn Profeet, zonder dit met tong en daad te tonen, ‘tashahhud‑uitsprekende’ noemen? Als het enkel om innerlijk geloven zou gaan, dan zouden mensen als Abū Sufyān ook de shahāda hebben uitgesproken – terwijl de edele Koran hen beschrijft die uiterlijk en met de tong de waarheid loochenen, hoewel zij er innerlijk zeker van zijn: “Zij loochenenden het, terwijl hun zielen er toch van overtuigd waren.” (6)
Er zijn hier dus twee vereisten: (1) het bezitten van liefde en afkeer, en (2) het tonen van die liefde en afkeer – dat zijn respectievelijk tawallī en tabarrī.
De patronen “takassub” (تكسّب), “taṣaddī” (تصدّي), “taʿallum” (تعلّم) e.d. duiden er allemaal op dat de stamvorm tafaʿʿul betrekking heeft op zaken die zich in de buitenwereld tonen als gedrag en handeling. Als tawallī en tabarrī niet worden geuit, is er in werkelijkheid geen sprake van tawallī en geen sprake van tabarrī.
Het bijzondere gewicht van tawallī en tabarrī
Tawallī en tabarrī hebben in de islamitische cultuur en in de overleveringen van de Ahl al‑Bayt (vrede zij met hen) een bijzondere en unieke rang. Vanwege dit gewicht rekent ʿAllāma al‑Majlisī tawallī en tabarrī tot de wortels van de religie (uṣūl al‑dīn); hoewel het geen bezwaar is om ze bij het onderwijs aan beginners onder de praktische voorschriften (furūʿ al‑dīn) te rangschikken. Er zijn hierover talrijke, massaal overgeleverde (mutawātir) overleveringen. Een daarvan is de volgende overlevering van Aḥmad ibn Isḥāq, van onze Meester de Boodschapper van Allah (Allah zegene hem en zijn Familie) van Allah, de Verhevene:
“Bij Mijn macht, Mijn majesteit en Mijn verhevenheid in Mijn positie: ik zal waarachtig houden van degene die deze dag als feest viert, in de verwachting van de beloning (die de beide horizonten omvat). Ik zal hem zeker het recht geven om voor zijn naasten en verwanten te bemiddelen. Ik zal zeker zijn bezit vermeerderen, wanneer hij het op deze dag voor zichzelf en zijn gezin verruimt. En ik zal in elk jaar op een dag als deze zeker duizend mensen uit jullie getrouwen en sjiʿa uit het Vuur bevrijden. Ik zal hun streven erkend doen zijn, hun zonde vergeven en hun daden aanvaard.” (7)
Vieren (taʿyīd) op deze dag
Het woord “yʿayyid” (“hij/zij viert als ʿĪd”) in deze overlevering is een extra aanwijzing voor wat over het patroon tafaʿʿul is gezegd. ‘Vieren’ (taʿyīd) betekent dat wij de negende van Rabīʿ al‑Awwal als feestdag vieren en vreugde en blijdschap tonen. Het volstaat niet om in het hart te geloven dat dit een feestdag is; dat is geen ‘vieren’. Wij moeten ons vieren op deze dag zichtbaar maken en de handelingen verrichten die bij de andere feesten ook gebruikelijk zijn. Wie dat naleeft, zal Allah zijn daden doen aanvaarden en hem met een geschenk begunstigen – dit wil zeggen: dit behoort tot de oorzaken voor de aanvaarding van gebed, vasten en andere daden.
Let wel: het enkel verrichten van het gebed volstaat niet voor de aanvaarding ervan. Er zijn biddenden van wie het gebed niet aanvaard wordt door Allah, en voor wie daarom geen beloning geschreven staat. De overleveringen leren dat van het gebed van de dienaar alleen dat deel aanvaard wordt waarin hij met hart en aandacht aanwezig was. Op de Dag des Oordeels ziet de dienaar dat de helft van zijn gebeden, of een kwart, of slechts een klein deel als aanvaard is opgetekend; de rest is niet aanvaard omdat er geen sprake was van hart‑ en gedachtenaanwezigheid. Zo iemand wordt niet gestraft, maar zijn beloning is gering, evenredig aan het aanvaarde deel.
Het vieren op deze dag – die in de gezaghebbende overlevering “de feestdag van de Ahl al‑Bayt” wordt genoemd – is een van de zaken waardoor onze daden aanvaard worden. Uiteraard viert ieder naar draagkracht: een arme kan dat doen door bijvoorbeeld één reep chocola voor zijn kleine kind te kopen – en dat geldt dan reeds als vieren.
Maar wanneer een rijke en welgestelde zich met diezelfde minimale daad tevredenstelt, geldt dat voor hem niet als vieren.
Moge Allah Zijn zegeningen doen neerdalen op Muḥammad en de Reine Huisgenoten.
—
Verslag van twee toespraken van Zijne Eminentie al‑Marjaʿ al‑Shīrāzī (moge zijn schaduw blijven), uitgesproken ter gelegenheid van het feest van de negende van Rabīʿ al‑Awwal, in de jaren 1426 en 1430 n.H.
Bronnen en verwijzingen
(1) al‑Mufīd, al‑Muqniʿa, hoofdstuk 4, p. 33.
(2) Koran, Soera al‑Mujādila 58:22.
(3) al‑Najafī, Muḥaqqiq, Jawāhir al‑Kalām, dl. 5, p. 44.
(4) al‑Majlisī, Biḥār al‑Anwār, dl. 95, hfst. 13: Deugd van de negende dag…, p. 354.
(5) al‑Nūrī, Mustadrak al‑Wasāʾil, dl. 12, hfst. 14: Verplichting van liefde omwille van Allah en afkeer…, p. 226, ḥadīth nr. 13950.
(6) Koran, Soera al‑Naml 27:14.
(7) al‑Majlisī, Biḥār al‑Anwār, dl. 31, ‘Wat betreft zijn martelaarschap en de wijze daarvan…’, p. 120.