[20] Eid van de 9e Rabi’ al‑Awwal: de overlevering van Ahmad ibn Ishaq al‑Qummi

Klik om de tekstversie te lezen

Eid van de 9e Rabi’ al‑Awwal: de overlevering van Ahmad ibn Ishaq al‑Qummi

Baqiyyat Allāh Instituut
september 2025

Inleiding

De negende dag van de maand Rabi’ al‑Awwal geldt in de sjiitische traditie als een dag van vreugde en hoop. Veel gelovigen noemen deze dag Eid al‑Faraj (het feest van bevrijding) of Eid al‑Zahrā (het feest van Fāṭima al‑Zahrā (a)) omdat men gelooft dat op deze datum een tiran die de rechten van de Profeet (s) en zijn zuivere familie (a) schond aan zijn einde kwam.

Klassieke geleerden hebben de dag beschreven als een moment waarop God de werken van de gelovigen aanvaardt en hun zorgen verlicht. Allāmah al‑Majlisī († 1699) schreef in zijn encyclopedie Biḥār al‑Anwār dat hij verschillende overleveringen vond die het verhaal van deze dag ondersteunen en dat het gepast is om vreugde te tonen (al‑Majlisī, n.d.).  Hij beschouwde de negende Rabi’ al‑Awwal als een Eid voor de Ahl al‑Bayt (a) en hun volgelingen en adviseerde gelovigen om deze dag te eren uit voorzorg.

Andere klassieke auteurs, zoals de traditiewetenschapper Shaykh ʿAbbās al‑Qummī in zijn Mafātīh al‑Jinān, roepen gelovigen op om op deze dag een ritueel bad (ghusl) te nemen, nieuwe kleren te dragen, aalmoezen te geven en medegelovigen blij te maken (al‑Qummī, n.d.). De grote jurist Shaykh Muḥammad Ḥasan al‑Najafī merkt in Jawāhir al‑Kalām op dat het wassen op de negende Rabi’ al‑Awwal wordt verricht omdat het een dag van Eid is en dat de viering wijdverbreid is onder de sjiʿa (al‑Najafī, n.d.).

Sommige moderne geleerden benadrukken dat historische bronnen aangeven dat de tiran op 26 Dhu ’l‑Ḥijja werd gedood en niet op de negende Rabi’ al‑Awwal; zij verklaren de vreugde op deze dag eerder uit het begin van het imāmaat van al‑Mahdī en de triomf van al‑Mukhtār al‑Thaqafī over de moordenaars van Imam al‑Ḥusayn (a) (Jaʿfar al‑ʿĀmilī, 2016Islam4u, 2020).

Het belangrijkste bewijs voor de viering is echter de overlevering van Ahmad ibn Ishaq al‑Qummī, een metgezel van de elfde imam al‑ʿAskarī (a). Hij vertelt hoe de imam zelf deze dag vierde en hoe de profeet Muḥammad (s) een eeuwenoude belofte van bevrijding en vergiffenis aan deze datum verbond. Hieronder volgt een volledige parallelle Arabisch‑Nederlandse vertaling van deze riwāya, gevolgd door een bespreking van de commentaren en een conclusie.

Parallele vertaling van de overlevering

De riwāya wordt in Biḥār al‑Anwār ingeleid met een hoofdstuktitel die de waarde van deze dag benadrukt. De tekst is in segmenten verdeeld; aan de linkerzijde staat het originele Arabische citaat, rechts staat een nauwkeurige Nederlandse vertaling.

Arabisch

Nederlandse vertaling

باب فضل اليوم التاسع من شهر ربيع الأول وأعماله.

Hoofdstuk: Over de verdienste van de negende dag van de maand Rabi’ al‑Awwal en zijn daden.

« زوائدُ الفَوائدِ قال السيد ابن طاووس في كتاب زواد: روى ابن أبي العلاء الهمداني الواسطي ويحيى بن محمد بن حوَيْج البغدادي قالا: تنازعنا في ابن الخطاب واشتبه علينا أمره، فقصدنا جميعا أحمد بن إسحاق القمي صاحب أبي الحسن العسكري عليه السلام بمدينة قم، فقرعنا عليه الباب فخرجت علينا صبية عراقية فسألناها عنه، فقالت: هو مشغول بعيدِه، فإنه يوم عيد، فقلنا: سبحان الله! إنما الأعياد أربعة للشيعة: الفطر، والأضحى، والغدير، والجمعة. فقالت: إن أحمد بن إسحاق يروي عن سيده أبي الحسن علي بن محمد العسكري عليهما السلام أن هذا اليوم يوم عيد، وهو أفضل الأعياد عند أهل البيت عليهم السلام وعند مواليهم.»

Sayyed Ibn Tāwūs vertelt in zijn boek Zawāʾid al‑Fawāʾid dat Ibn Abī al‑ʿAlā al‑Hamdānī en Yaḥyā b. Muḥammad b. Ḥuwaj al‑Baghdādī zeiden: “Wij discussieerden over (het lot van) Ibn al‑Khaṭṭāb en zijn zaak was ons niet duidelijk, dus gingen wij samen naar Aḥmad b. Isḥāq al‑Qummī, een metgezel van Abū ’l‑Ḥasan al‑ʿAskārī (vrede zij met hem) in de stad Qom. Wij klopten op zijn deur en een jonge Iraakse dienstmeid kwam naar buiten. Wij vroegen haar naar hem en zij zei: Hij is bezig met zijn feestdag, want vandaag is een feest. Wij zeiden: Subḥān Allāh! Voor de sjiʿa zijn er slechts vier feesten: al‑Fiṭr, al‑Aḍḥā, al‑Ghadīr en de vrijdag. Zij antwoordde: Aḥmad b. Isḥāq vertelt van zijn meester Abū ’ l‑Ḥasan ʿAlī b. Muḥammad al‑ʿAskārī (as) dat deze dag een feestdag is en dat het de beste van de feesten is voor de Ahl al‑Bayt en hun volgelingen.

«قالا: فاستأذنا عليه فعرفته فخرج علينا وهو مستور بمئزر يفوح مسكاً، وهو يمسح وجهه، فأنكرنا ذلك عليه. فقال: لا عليكما فإني اغتسلت للعيد. قلنا: أولاً هذا يوم عيد؟ قال: نعم، وكان يوم التاسع من شهر ربيع الأول. قالا: فأدخلنا داره وأجلسنا، ثم قال: إني قصدت مولاي أبا الحسن عليه السلام كما قصدتما، فاستأذنت عليه فأذن لي. فدخلت عليه في مثل هذا اليوم ورأيت مولانا عليه السلام قد أوعز إلى كل واحد من خدمه أن يلبس ما يمكنه من الثياب الجديدة، وكان بين يديه مجمرة يحرق العود فيها بنفسه.»

De twee vertellers zeiden: “Wij vroegen toestemming om hem te spreken en zij kondigde ons aan. Hij kwam naar buiten met een lendendoek om, een geur van musk verspreidend, terwijl hij zijn gezicht droogde. Wij waren verbaasd en hij zei: Maak jullie geen zorgen, ik heb me gewassen voor het feest. Wij zeiden: Is dit een feestdag? Hij antwoordde: Ja, en het was de negende van Rabi’ al‑Awwal. Hij liet ons zijn huis binnen en zette ons neer. Toen zei hij: Ik ging, net als jullie, naar mijn meester Abū ’ l‑Ḥasan (Imam al‑ʿAskārī) en vroeg toestemming. Hij liet mij binnen en ik zag op een dag als deze dat mijn heer (vrede zij met hem) zijn dienaren had opgedragen nieuwe kleren aan te trekken. Voor hem stond een wierookbrander waarin hij eigenhandig aloëhout brandde.

«فقلت له: بأبائنا وأمهاتنا يا ابن رسول الله هل تجدد لأهل البيت عليهم السلام في هذا اليوم فرح؟ فقال: وأي يوم أعظم حرمة عند أهل البيت من هذا اليوم؟ لقد أخبرني أبي عن جدي عليهم السلام أن حذيفة بن اليمان دخل على رسول الله صلى الله عليه وآله في مثل هذا اليوم…»

Ik zei tegen hem: “Moge mijn vader en moeder aan u geofferd worden, o zoon van de Boodschapper van God! Is er voor de Ahl al‑Bayt op deze dag een nieuw soort vreugde?” Hij zei: “Welke dag heeft voor de Ahl al‑Bayt een grotere heiligheid dan deze dag? Mijn vader heeft mij van mijn grootvader overgeleverd dat Ḥudhayfa b. al‑Yamān op een dag als deze bij de Boodschapper van God (vrede zij met hem en zijn familie) binnenkwam…”

«قال حذيفة: رأيت أمير المؤمنين عليه السلام وولديه الحسن والحسين عليهما السلام يأكلون مع رسول الله صلى الله عليه وآله وهو يتبسم في وجوههم ويقول لولديه: كلا هنيئاً لكما بركة هذا اليوم وسعادته، فإنه اليوم الذي يهلك الله فيه عدوكما وعدو جدكما، واليوم الذي يقبل الله فيه أعمال شيعتكما ومحبيكما، واليوم الذي يصدق فيه قول الله جل جلاله: ﴿فتلك بيوتهم خاوية بما ظلموا﴾، واليوم الذي نسف فيه فرعون أهل البيت وظالمهم وغاصبهم حقهم، واليوم الذي يقدم الله إلى ما عملوا من عمل فيجعله هباءً منثورا.»

Ḥudhayfa vertelde: “Ik zag Amīr al‑Muʾminīn (ʿAlī) en zijn twee zonen al‑Ḥasan en al‑Ḥusayn (vrede zij met hen) met de Boodschapper van God eten, terwijl hij naar hen glimlachte en tot zijn zonen zei: ‘Eet, en moge de zegen en het geluk van deze dag voor jullie zijn. Dit is de dag waarop God jullie vijand en de vijand van jullie grootvader zal vernietigen; het is de dag waarop God de daden van jullie shīʿa en liefhebbers aanvaardt; het is de dag waarop het woord van God “Zo staan hun huizen verwoest vanwege het onrecht dat zij begingen” waar wordt; het is de dag waarop God de Farao van het huis en hun onderdrukker en degene die hun recht usurpeert zal wegvagen; het is de dag waarop God al hun daden tot verstrooide stof maakt.’”

«قال حذيفة: فقلت: يا رسول الله، وفي أمتك وأصحابك من ينتهك هذه المحارم؟ قال: نعم، يا حذيفة، جبت من المنافقين يرتاس عليهم ويستعمل في أمتي الرَّأْي، ويحمل على عاتقه درة الخزي، ويصد الناس عن سبيل الله، ويحرف كتاب الله، ويغير سنتي، ويشتمل على إرث ولدي، وينصب نفسه علماً، ويتطاول على إمامي من بعدي، ويستخلب أموال الناس من غير حلها، وينفقها في غير طاعة الله، ويكذبني ويكذب أخي ووزيري، ويحسد ابنتي على حقها، فتدعو الله عز وجل عليه فيستجيب دعاءها في مثل هذا اليوم.»

Ḥudhayfa vroeg: “‘O Boodschapper van God, zal er iemand uit uw gemeenschap en uw metgezellen zijn die zulke heilige zaken schendt?’ Hij antwoordde: ‘Ja, o Ḥudhayfa. Een huichelaar uit de hypocrieten zal over hen heersen. Hij zal zijn eigen mening in mijn gemeenschap invoeren, de staf van vernedering op zijn schouders dragen, mensen van Gods weg afhouden, het boek van God vervalsen, mijn sunnah veranderen, aanspraak maken op de erfenis van mijn zonen, zichzelf tot vlag verheffen, zich boven mijn imam na mij verheffen, het bezit van de mensen zonder recht nemen en het in ongehoorzaamheid aan God uitgeven. Hij zal mij en mijn broer en minister (ʿAlī) een leugenaar noemen en mijn dochter haar recht misgunnen. Zij zal God tegen hem aanroepen en Hij zal haar smeekbede op een dag als deze verhoren.’”

«قال حذيفة: فقلت: يا رسول الله، فادع ربك ليهلكه في حياتك. فقال رسول الله صلى الله عليه وآله: يا حذيفة لا أحب أن أتعجل قضاء الله لما قد سبق في علمه، لكن سألت الله عز وجل أن يجعل لليوم الذي يهلكه فيه فضيلة على سائر الأيام، ليكون ذلك سنّةً يستنّ بها أحبائي وشيعة أهل بيتي ومحبوهم.»

Ḥudhayfa zei: “O Boodschapper van God, bid tot uw Heer dat Hij hem in uw leven vernietigt!” De Profeet antwoordde: “O Ḥudhayfa, ik wil Gods beslissing niet overhaasten voor hetgeen in Zijn kennis is voorbeschikt. Maar ik heb aan God gevraagd om de dag waarop Hij hem vernietigt boven andere dagen te verheffen, opdat dit een traditie wordt voor mijn geliefden, de shīʿa van mijn familie en degenen die hen beminnen.”

«فأوحى الله جل جلاله إلى جل من قائل: يا محمد، إنه كان في سابق علمي أن تمسَّك وأهل بيتك محن الدنيا وبلاؤها، وظلم المنافقين والغاصبين من عبادي… إني قد أمرت ملائكتي في سبع سماواتي وشيعتك ومحبيك أن يعيدوا في اليوم الذي أهلكته فيه، وأمرتهم أن ينصبوا كرسي كرامتي بإزاء البيت المعمور ويثنوا عليَّ ويستغفروا لشيعتك… وأمرت الكرام الكاتبين أن يرفعوا القلم عن الخلق في ذلك اليوم، ولا يكتبون شيئاً من خطاياهم كرامة لك ولوصيك.»

God openbaarde aan de Profeet: “O Muḥammad, het behoorde tot Mijn eeuwige kennis dat jij en je familie de beproevingen en onderdrukking van de wereld zouden ondergaan en het onrecht van de hypocrieten en usurpatoren. … Ik heb Mijn engelen in Mijn zeven hemelen en jouw sjīʿa en liefhebbers bevolen om feest te vieren op de dag dat Ik hem vernietig. Ik heb hen bevolen om tegenover het Bayt al‑Maʿmūr (het hemelse huis) een troon van Mijn eer op te richten, Mij te prijzen en vergeving te vragen voor jouw sjīʿa. … En Ik heb de edele schrijvers bevolen om op die dag hun pen op te heffen en niets van de zonden van de schepselen op te schrijven ter ere van jou en jouw opvolger.”

«يا محمد، إني قد جعلت ذلك اليوم يوم عيد لك ولأهل بيتك ولمن يتبعهم من المؤمنين وشيعتهم… لأحبون من يعيد في ذلك اليوم محتسباً، ولأشفعنّه في ذوي رحمه، ولأزيدن في ماله إن وسّع على نفسه وعياله، ولأعتقنّ من النار في كل حول في مثل ذلك اليوم آلافاً من شيعتكم ومحبيكم…»

De openbaring vervolgde: “O Muḥammad, Ik heb die dag tot een Eid gemaakt voor jou, jouw familie en voor degene die hen onder de gelovigen volgen en voor hun sjīʿa. … Ik zweer bij Mijn majesteit dat Ik degene die op die dag uit oprechte intentie viert zal liefhebben. Ik zal voor hem bemiddelen voor zijn verwanten, zijn rijkdom vermeerderen als hij gul is voor zichzelf en zijn familie, en elk jaar op die dag duizenden van jullie sjīʿa en liefhebbers uit het Vuur bevrijden. … Ik zal hun streven waarderen, hun zonden vergeven en hun daden accepteren.”

«قال حذيفة: ثم قام رسول الله صلى الله عليه وآله فدخل بيت أم سلمة رضي الله عنها… ورجعت عنه وأنا غير شاك في أمر الثاني حتى رأيت بعد وفاة رسول الله صلى الله عليه وآله وأتيح الشر، وعاود الكفر، وارتد عن الدين، وشمر للملك، وحرف القرآن، وأحرق بيت الوحي، وابتدع السنن، وغير الملّة، ونقل السنة، ورد شهادة أمير المؤمنين عليه السلام، وكذّب فاطمة بنت رسول الله، واغتصب فدك منها… فاستجاب الله دعوة مولاي على ذلك المنافق، وجرى قتله على يد قاتله. رحمة الله على قاتله.»

Ḥudhayfa vervolgde: “Daarna stond de Boodschapper van God op en ging naar het huis van Umm Salama. … Ik ging bij hem weg zonder te twijfelen aan de identiteit van die tweede man, totdat ik na de dood van de Boodschapper zag dat het kwaad zijn kans kreeg, het ongeloof terugkeerde en de religie werd verworpen; hij greep de macht, vervalste de Koran, stak het huis van de openbaring in brand, verzon gebruiken, veranderde de godsdienst, verdraaide de sunnah, wees de getuigenis van ʿAlī af, loochende Fāṭima, roofde Fadak van haar … God verhoorde de smeekbede van mijn meester tegen die huichelaar, en zijn dood werd voltrokken door zijn moordenaar. Moge God Zijn genade schenken aan zijn moordenaar.”

«قال حذيفة: فدخلت على أمير المؤمنين عليه السلام لما قتل ذلك المنافق لأهنئه بقتله، فقال أمير المؤمنين عليه السلام: يا حذيفة، تذكر اليوم الذي دخلت فيه على رسول الله صلى الله عليه وآله وأنا وسبطاه نأكل معه؟ فدلك على فضل هذا اليوم. قلت: نعم. قال: هو – والله – هذا اليوم الذي أقر الله فيه عيون أولاد رسول الله صلى الله عليه وآله، وإني لأعرف لهذا اليوم اثنين وسبعين اسماً.»

Ḥudhayfa zei: “Ik ging na de dood van die huichelaar naar Amīr al‑Muʾminīn om hem te feliciteren met zijn dood. ʿAlī zei tegen mij: ‘O Ḥudhayfa, herinner je je de dag waarop je bij de Boodschapper van God binnenkwam terwijl ik en zijn twee kleinzonen met hem aten? Hij vertelde je toen over de verdienste van deze dag.’ Ik antwoordde: ‘Ja’. Hij zei: ‘Bij God, dit is die dag waarop God de ogen van de kinderen van de Boodschapper tevreden stelde. En ik ken voor deze dag tweeënzeventig namen.’”

«قال حذيفة: فقلت: يا أمير المؤمنين، أحب أن تسمعني أسماء هذا اليوم التاسع من ربيع الأول. فقال عليه السلام: هذا يوم الاستراحة، ويوم تنفيس الهم والڪرب، والغدير الثاني، ويوم تحطيط الأوزار، ويوم الحبوة، ويوم رفع القلم، ويوم الهدى، ويوم العقيقة، ويوم البركة، ويوم الثارات، وعيد الله الأكبر، ويوم يستجاب فيه الدعوات، ويوم الموقف الأعظم، ويوم التولية، ويوم الشرط، ويوم نزع الأسوار، ويوم ندامة الظالمين، ويوم انكسار الشيعة، ويوم نفي الهموم، ويوم الفتح، ويوم العرض، ويوم القدرة، ويوم التصفيح، ويوم فرح الشيعة، ويوم التروية، ويوم الإنابة، ويوم الزكاة العظمى، ويوم الفطر الثاني، ويوم سبيل الله تعالى، ويوم التجرع بالريق، ويوم الرضا، وعيد أهل البيت عليهم السلام، ويوم ظفرت به بنو إسرائيل، ويوم قبل الله أعمال الشيعة، ويوم تقديم الصدقة، ويوم طلب الزيادة، ويوم قتل المنافق، ويوم الوقت المعلوم، ويوم سرور أهل البيت عليهم السلام، ويوم المشهود، ويوم يعض الظالم على يديه، ويوم هدم الضلالة، ويوم النيلة، ويوم الشهادة، ويوم التجاوز عن المؤمنين، ويوم المستطاب، ويوم ذهاب سلطان المنافق، ويوم التسديد، ويوم يستريح فيه المؤمنون.»

Ḥudhayfa zei: “Ik zei: ‘O Amīr al‑Muʾminīn, ik wil dat u mij de namen van deze dag – de negende van Rabi’ al‑Awwal – laat horen.’ Hij antwoordde: ‘Dit is de Dag van Rust, de Dag van Verlichting van Zorg en Verdriet, de tweede Ghadīr, de Dag van het neerleggen van de lasten, de Dag van de Gift, de Dag waarop de pen wordt opgeheven, de Dag van Leiding, de Dag van de ʿAqīqah, de Dag van Zegen, de Dag van Vergelding, de Grootste Eid van God, de Dag waarop gebeden worden verhoord, de Dag van de Grote Samenkomst, de Dag van Toewijding, de Dag van het Verbond, de Dag van het verwijderen van ketens, de Dag van het berouw van de onrechtplegers, de Dag van de gebroken sjīʿa, de Dag van het verdrijven van zorgen, de Dag van de Overwinning, de Dag van Presentatie, de Dag van Macht, de Dag van Sieraad, de Dag van de vreugde van de sjīʿa, de Dag van de voorbereiding (al‑Taqwiyah), de Dag van Inkeer, de Dag van de Grote Aalmoes, de tweede Eid al‑Fiṭr, de Dag van Gods Pad, de Dag van het doorslikken van speeksel (een metafoor voor tevredenheid), de Dag van Tevredenheid, de Feestdag van de Ahl al‑Bayt, de Dag waarop de kinderen van Israël werden gered, de Dag waarop God de daden van de shīʿa accepteerde, de Dag van het geven van aalmoezen, de Dag van het zoeken naar toename, de Dag waarop de huichelaar werd gedood, de Dag van de vastgestelde tijd, de Dag van de vreugde van de Ahl al‑Bayt, de Dag van de getuigenis, de Dag waarop de onderdrukker op zijn handen bijt, de Dag van de vernietiging van dwaling, de Dag van de nachtelijke wassing, de Dag van het getuigenis, de Dag van vergeving van gelovigen, de Dag van het beminnelijke, de Dag van het verdwijnen van de macht van de huichelaar, de Dag van rechtgeleiding, en de Dag waarop de gelovigen tot rust komen.’”

«قال حذيفة: فقمت من عند أمير المؤمنين عليه السلام وقلت في نفسي: لو لم أدرك من أفعال الخير ما أرجو به الثواب إلا حب هذا اليوم لكان مناي. قال محمد بن أبي العلاء الهمداني ويحيى بن جريح: فقام كل واحد منا يقبل رأس أحمد بن إسحاق وقلنا: الحمد لله الذي ما قبضنا حتى شرفنا بفضل هذا اليوم المبارك، وانصرفنا من عنده وعيدنا فيه، فهو عيد الشيعة.»

Ḥudhayfa besloot: “Ik stond op bij Amīr al‑Muʾminīn en zei in mezelf: Als ik van alle goede daden die hoop op beloning geven alleen maar het liefhebben van deze dag zou bereiken, dan zou dat genoeg voor mij zijn.

De twee vertellers – Muḥammad b. Abī al‑ʿAlā al‑Hamdānī en Yaḥyā b. Juraij – zeiden: “Ieder van ons stond op, kuste het hoofd van Aḥmad b. Isḥāq en zei: Alle lof behoort aan God die ons niet deed sterven voordat Hij ons eerde met de verdienste van deze gezegende dag. Wij vertrokken van hem en vierden deze dag. Zo is dit de Eid van de sjīʿa.

 

«تم الخبر والحمد لله وحده، وصلى الله على محمد وآله وسلم من خط محمد بن علي بن محمد بن طي.»

Het verhaal is hiermee voltooid. Alle lof is aan God alleen. Moge God zegenen Muḥammad en zijn familie. Geschreven door Muḥammad b. ʿAlī b. Muḥammad b. Ṭayy.

«ووجدنا فيما تصفحنا من الكتب عدة روايات موافقة لها، فاعتمدنا عليها فينبغي تعظيم هذا اليوم المشار إليه وإظهار السرور فيه مطلقاً… قال السيد ابن طاووس في

:إقبال الأعمال

وجدنا فيه رواية عظيمة الشأن…»

Al‑Majlisī besluit: “Wij hebben in de boeken verschillende overleveringen gevonden die overeenkomen met dit verhaal en wij hebben erop vertrouwd. Het is dus passend om de genoemde dag te vereren en vreugde te tonen. … Sayyid Ibn Ṭāwūs merkt in Iqbal al‑Aʿmāl op dat hij een aanzienlijke overlevering over deze dag vond en dat sommige Perzen en broeders hem verheerlijken; zij menen dat het de dag is waarop een bepaalde onderdrukker omkwam, maar hij vond geen betrouwbare steun voor dat verhaal. Hij vermeldt ook dat Imam al‑ʿAskari op 8 Rabi’ al‑Awwal stierf, zodat de negende de eerste dag van het imāmaat van al‑Mahdī is.**

Commentaren van geleerden

De hierboven vertaalde riwāya is een unieke keten van verhalen die de vreugde op de negende Rabi’ al‑Awwal verbindt met de vernietiging van een vijand van de Profeet en zijn familie én met de instelling van een jaarlijks feest voor de sjīʿa. Allāmah al‑Majlisī bevestigt dat hij meerdere overleveringen vond die dit verhaal ondersteunen en dat men deze dag daarom mag vieren (al‑Majlisī, n.d.).

Sayyed Ibn Ṭāwūs, aangehaald in Biḥār al‑Anwār, merkt op dat sommige gemeenschappen – vooral Perzen – deze dag met vreugde vieren omdat zij geloven dat een onderdrukker werd gedood; hij geeft echter aan dat de historische bronnen hierover onzeker zijn (Ibn Ṭāwūs, n.d.). Hij benadrukt dat de belangrijkste reden voor de feestdag de overgang is van het imāmaat: Imam al‑Ḥasan al‑ʿAskari (a) stierf op 8 Rabi’ al‑Awwal, zodat op de negende zijn zoon Imam al‑Mahdī (a) het imāmaat op zich nam.

Shaykh ʿAbbās al‑Qummī schrijft in zijn gebedshandboek Mafātīh al‑Jinān dat dit een “grote Eid” is waarop gelovigen een ritueel bad moeten nemen, nieuwe kleren aantrekken, aalmoezen geven en mede‑gelovigen blij maken; wie op deze dag uitgeeft voor zichzelf en zijn familie zal worden vergeven (al‑Qummī, n.d.).

De jurist Shaykh Muḥammad Ḥasan al‑Najafī merkt op dat het wassen op de negende Rabi’ al‑Awwal een gevestigde gewoonte is omdat het een dag van Eid is; hij zegt dat hoewel sommige geleerden de gebeurtenis op 26 of 27 Dhu ’l‑Ḥijja plaatsen, de overlevering van Aḥmad b. Isḥāq aangeeft dat de sjīʿa de negende Rabi’ al‑Awwal als feest herkennen (al‑Najafī, n.d.).

Latere auteurs, zoals Sayyed Jaʿfar al‑ʿĀmilī, onderstrepen dat bepaalde bronnen aangeven dat de Tweede op 26 Dhu ’l‑Ḥijja werd gedood; zij beschouwen de vreugde op de negende Rabi’ al‑Awwal daarom eerder als herdenking van de overwinning van al‑Mukhtār al‑Thaqafī en het begin van het imāmaat van al‑Mahdī (Jaʿfar al‑ʿĀmilī, 2016Islam4u, 2020). Dergelijke interpretaties tonen aan dat de betekenis van deze dag breed wordt opgevat en naast historische gebeurtenissen vooral spirituele hoop vertegenwoordigt.

Conclusie

De negende Rabi’ al‑Awwal is in de sjiitische gemeenschap uitgegroeid tot een dag van dankbaarheid, vreugde en hoop. Volgens de overlevering van Aḥmad b. Isḥāq spoorde Imam al‑ʿAskarī (a) zijn volgelingen aan om op deze dag nieuwe kleding te dragen en wierook te branden en herinnerde hij aan het verhaal van Ḥudhayfa waarin de profeet Muḥammad (s) beloofde dat de vernietiging van de grote huichelaar een jaarlijkse viering waard zou zijn.

Hoewel historici verschillende meningen hebben over de precieze gebeurtenissen – sommigen verbinden de dag met de dood van een tiran, anderen met de aanvang van het imāmaat van imam al‑Mahdī (a) – zijn alle commentaren het erover eens dat het tonen van vreugde en het herdenken van de redding van de Ahl al‑Bayt (a) de kern vormt van deze Eid. De lijst van tweeënzeventig namen die imam ʿAlī (a) gaf, benadrukt de veelzijdigheid van de dag: het is een dag van rust, vergeving, openbaring, en bovenal een gelegenheid waarop de sjīʿa hun trouw aan de familie van de Profeet (s) vernieuwen.

Voor gelovigen biedt deze dag een moment om het lijden van de Ahl al‑Bayt (a) te herdenken, de overwinning van rechtvaardigheid te vieren en hoop te putten uit de belofte van imam al‑Mahdī (a). Het maakt duidelijk dat feesten in de islam niet alleen historische gebeurtenissen herdenken, maar ook een middel zijn om spirituele banden te versterken en God te danken voor Zijn genade.

Bronnenlijst

  1. al‑Majlisī, M. B. (n.d.). Biḥār al‑Anwār (Vol. 95, pp. 351–356). Qom: Dār Iḥyā’ al‑Turāth. Beschikbaar via ar.lib.eshia.ir.
  2. al‑Qummī, ʿA. (n.d.). Mafātīh al‑Jinān. Qom: al‑Maktabah al‑Islāmiyyah.
  3. al‑Najafī, M. Ḥ. (n.d.). Jawāhir al‑Kalām. Qom: Dār al‑Kitāb.
  4. Ibn Ṭāwūs, R. (n.d.). Iqbal al‑Aʿmāl (ed. ʿAli al‑Katib). Najaf: al‑Rayān.
  5. Jaʿfar al‑ʿĀmilī. (2016). Faḍīlat Yawm al‑Tāsiʿ min Rabi’ al‑Awwal. Geraadpleegd 2 september 2025, van al‑ameli.com.
  6. Islam4u. (2020). Virtue of 9th Rabi’ al‑Awwal. Geraadpleegd 2 september 2025, van https://islam4u.pro.

Bibliografie

Al‑Amīdī, S. J. (2020). The Ninth of Rabi’ al‑Awwal in Shīʿah Thought. Qom: Markaz al‑Aʿlāmi.
Al‑Ṭūsī, S. M. (n.d.). Tahdhīb al‑Aḥkām. Najaf: al‑Ṭūsī Library.
Al‑Muqarram, S. J. (n.d.). Wafāt al‑Ḥasan al‑ʿAskari. Qom: Mu’assasat al‑ʿIrfān.
Ṣadr, M. B. (n.d.). Day of Joy: Studies on 9th Rabi’ al‑Awwal. Teheran: Mu’assasat al‑Farqān.

Klik voor PDF bestand

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven