Klik om de tekstversie te lezen
Imām ʿAlī ibn Abī Ṭālib (as) en Muʿāwiya ibn Abī Sufyān (la): Over de onderdrukking van de Opperbevelhebber der Gelovigen en de misplaatste vergelijking
Baqiyyat Allāh Instituut
september 2025
Inleiding
Imām ʿAlī ibn Abī Ṭālib (as) — neef, schoonzoon en volgens de sjiitische overtuiging de rechtmatige, onfeilbare opvolger van de heilige Profeet Muḥammad (s) — neemt zowel in de sjiitische als in de soennitische traditie een centrale plaats in en wordt beschouwd als een van zijn grootste wonderen. Muʿāwiya ibn Abī Sufyān (†680) daarentegen was een welbekende polytheïst en is nooit werkelijk moslim geworden. Uit louter hypocrisie verklaarde hij — samen met zijn Omajjadische clan — hun ‘islam’, met als doel de islam uiteindelijk van binnenuit te bestrijden.ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb benoemde hem tot gouverneur van Syrië. Vervolgens stichtte hij, na het ontketenen van een bloedige burgeroorlog onder het voorwendsel de vermoorde Omajjadische heerser ʿUthmān ibn ʿAffān te wreken, de Omajjadendynastie. Binnen de sjiitische geschiedschrijving wordt de opkomst van Mu’awiya gezien als een nederlaag voor rechtvaardigheid en wordt benadrukt dat Imam Ali (as) – ondanks zijn nabijheid tot de heilige Profeet (s) – op allerlei manieren veronachtzaamd en onderdrukt werd. Een veelgehoorde uitspraak die dit gevoel verwoordt, luidt: “Anzalani ad‑dahr ḥattā qīla ʿAliyyun wa Muʿāwiya” (“de tijd heeft mij zo vernederd dat men begon te spreken over ‘Ali en Mu’awiya’”). Het doel van dit artikel is om deze zin in zijn context te plaatsen, en vervolgens in te gaan op de controversiële verhalen over de afkomst van Mu’awiya (LA) en zijn moeder Hind bint ʿUtba (LA), waarbij zowel sjiitische als soennitische bronnen worden besproken.
De uitspraak van Imam Ali over de vergelijking met Mu’awiya
Tekst en betekenis
De exacte formulering “de tijd heeft mij zo vernederd dat men begon te spreken over ‘Ali en Mu’awiya” is in klassieke sjiitische en soennitische bronnen niet letterlijk terug te vinden. De website Al‑Mojib, die vragen over hadith beantwoordt, merkt op dat deze woordcombinatie in geen enkele primaire bron voorkomt; het gaat waarschijnlijk om een parafrase of vergissing[1]. Wel kennen sjiitische bronnen passages met een vergelijkbare strekking. In Nahj al‑Balāgha (de verzameling toespraken en brieven van Imam Ali) beschrijft Imam Ali (as) in de zogeheten Sjiqsjiqīya‑toespraak hoe de macht na de dood van de heilige Profeet (s) aan anderen werd gegeven en hij de derde plaats kreeg toebedeeld. Hij zegt dat hij door de tijd naar beneden werd gehaald en vergeleken werd met personen die onder hem stonden, waarna de macht uiteindelijk bij Mu’awiya terechtkwam[2].
Ibn Abī al‑Ḥadīd (†1258) citeert in zijn commentaar op Nahj al‑Balāgha een uitspraak die de geest van de bewering weergeeft: Imam Ali zou gezegd hebben dat hij in de dagen van de Profeet (s) “als een deel van de boodschapper” werd beschouwd; men keek naar hem “zoals naar sterren aan de hemel.” Na de dood van de Profeet (s) verlaagde de tijd hem echter: hij werd vergeleken met “die en die”, later met vijf anderen waarvan de beste ʿOethmān was, en uiteindelijk maakte de tijd hem “een gelijke van de zoon van Hind en de zoon van an‑Nābigha”[2]. De woorden “de zoon van Hind” verwijzen naar Mu’awiya, terwijl “de zoon van an‑Nābigha” op ʿAmr ibn al‑ʿĀs slaat. Het slot van de uitspraak luidt: “Laqad istannat al‑fiṣāl ḥattā al‑qarʿā” – een Arabisch gezegde dat volgens lexicograaf Ibn Manzūr wordt gebruikt voor iemand die zijn plaats niet kent[3].
In de sjiitische traditie symboliseert deze uiting de onderdrukking van Imam Ali (as). Hij, de man die door de heilige Profeet (s) als zijn broeder en opvolger werd aangeduid, werd gereduceerd tot één van de kandidaten(!) in het overleg voor een nieuwe kalief (de shūra), vervolgens tot opposant van de Omajjadische gouverneur en tenslotte tot gelijke van mannen wier islamitische verdiensten NUL waren. Het gebruik van de zin “Ali en Mu’awiya” wordt dan als een belediging gezien, aangezien de status van de twee niet vergelijkbaar is.
Controverses rond de moeder van Mu’awiya: Hind bint ʿUtba
Hind in de historische bronnen
Hind bint ʿUtba ibn Rabīʿa was een prostituee uit de lage Omajjadische clan, welke bovendien geen zuiver Arabische wortels had maar van Afrikaanse oorsprong was. Tijdens de strijd tussen Mekka en de jonge islam was zij een felle tegenstander van de heilige Profeet (s). Bij de slag van Uḥud spoorde zij de polytheïstische strijders aan om tegen het leger van de islam te vechten. Zij gaf haar zwarte slaaf Wahshī (la) de opdracht om, uit wraak voor de dood van haar vader, broer en oom tijdens de slag bij Badr, de Profeet (s) zelf, Imām ʿAlī (as) of Ḥamza (as) te doden. Wahshī slaagde erin op lafhartige wijze, van een grote afstand, Sayyedunā Ḥamza ibn ʿAbd al-Muṭṭalib (as) met een speer te doden. Hind (LA) beet vervolgens in zijn lever en trachtte ervan te eten — een daad die haar blijvend berucht maakte. Hamza (as), de “Leeuw van Allah en Zijn Boodschapper”, werd zo op tragische wijze vermoord. Bij de verovering van Mekka in het jaar 630 (8 AH) bekeerden zij en haar hele Omajjadische clan zich plotseling tot de islam — niet uit oprecht geloof, maar uit angst en hypocrisie, om hun posities en levens veilig te stellen nadat zij zoveel moslims hadden onderdrukt en vermoord. Toen de Profeet (s) tijdens deze plechtigheid de vrouwen aansprak met de woorden: “dat zij geen overspel zullen plegen!”, reageerde Hind — de beruchte prostituee — volgens de overlevering op een komische wijze met de opmerking: “Zal een vrije vrouw soms overspel plegen?”.
De bewering dat Hind een “vrouw met vlag” was
In sjiitische polemische literatuur komt het verwijt voor dat Hind tijdens de jahiliyya (“onwetendheid”, de tijd vóór de islam) een bordeel zou hebben gerund. In het werk Masālib al‑ʿArab (ook: Masālib al‑Ansab of Kitāb al‑Masālib) van de soennitische, grote en betrouwbare genealogist Hisham ibn Muhammad al‑Kalbī (†204 AH) worden lijsten gegeven van zogeheten “dhawāt al‑rayāt” – vrouwen met rode vlaggen die in de bazaar openlijk mannen ontvingen. het hoofdstuk “Bab tasmiyyat dhawāt al‑rayāt wa‑ummuhātuhunna wa‑man waladna” dat de auteur diverse bordeelhoudsters opsomt[6]. De sjiitische website Alqatrah verwijst naar dit hoofdstuk en zegt dat Hind een van deze vrouwen was; volgens een passage “was Hind uit de groep van de maghtalimāt (vrouwen die zich door sluiers verborgen), en zij hield van zwarte mannen; wanneer zij een donkere baby baarde, doodde zij hem”[7]. Deze anekdote is een van de bewijzen om haar kuisheid in twijfel te trekken.
Het debat over de vader van Mu’awiya
In sjiitische polemiek wordt regelmatig gesteld dat Mu’awiya’s biologische vader onbekend was. De soennitische genealoog Hisham al‑Kalbī vermeldt volgens diverse citaten uit Masālib al‑ʿArab dat Mu’awiya aan vier verschillende mannen werd toegeschreven. In een artikel van het instituut Ināḥj wordt een overlevering van Hisham aangehaald waarin staat: “al‑Kalbī zei: ‘Mu’awiya werd toegeschreven aan vier mannen: ʿAmara ibn al‑Walīd, Musāfir ibn Abī ʿAmr, Abū Sufyan en een man die hij noemt’”[10]. Het artikel voegt toe dat de genealoog ook beweerde dat Mu’awiya’s oma Ḥamāma (of Hamāma) een prostituee was en dat zij “een rode vlag had”[10].
Andere sjiitische teksten gaan nog verder. Het artikel “Min huwa al‑daʿī ibn al‑daʿī” (“Wie is de bastaard, zoon van een bastaard?”) op Kitābat Info citeert al‑Kalbī dat Mu’awiya “van vier mannen was: ʿAmāra ibn al‑Walīd ibn al‑Mughīra al‑Makhzūmi, Musāfir ibn ʿAmr, Abū Sufyan, en een andere man” en dat zijn moeder Hind “min al‑maghtalimāt” was (een eufemisme voor prostituees)[11]. Tevens staat er dat Ḥamāma, een van zijn grootmoeders, “een vlag in Dhu l‑Majāz had en zong onder de vrouwen met vlaggen”[11]. Een anekdote uit de sjiitische geschiedenis leert dat ʿAqīl ibn Abī Tālib, de broer van Imam Ali (as) en bekend als genealoog, eens door Mu’awiya gevraagd werd “wie Hamāma was”. ʿAqīl zou hebben geantwoord dat dit “zijn grootmoeder was, een prostituee met een vlag”. Hishām al-Kalbī en andere klassieke historici hebben dergelijke overleveringen gebruikt om de ware realiteit van de Omajjaden bloot te leggen.
Het historiografische kader van Masālib al‑ʿArab
Hisham al‑Kalbī en zijn aanpak
Hisham ibn Muhammad al‑Kalbī (110–204 AH) was een Iraaks historicus, genealoog en verhalenverteller. Hij en zijn vader stonden bekend om hun uitgebreide kennis van Arabische genealogieën, hun werken bevatten ook kritische en soms satirische overleveringen over vooraanstaande families. Zijn boek Masālib al‑ʿArab (“De schande van de Arabieren”) somt niet alleen genealogische lijnen op, maar beschrijft ook schandalen, overspel en andere negatieve eigenschappen van verschillende clans.
Vooraanstaande geleerden en onderzoekers citeren uitgebreid uit Masālib al‑ʿArab en noemen talloze vrouwen met rode vlaggen. Het is duidelijk dat het boek een neutrale genealogische bron is dat controverses beschrijft.
Conclusie
De verhalen over Hind bint ʿUtba en de vader van Mu’awiya komen uit betrouwbare klassieke bronnen zoals Masālib al‑ʿArab van Hisham al‑Kalbī en andere klassieke bronnen. Deze bronnen vertellen dat Hind tot de dhawāt al‑rayāt (prostituees) behoorde, dat zij van meerdere mannen zwanger raakte en dat Mu’awiya aan vier verschillende vaders werd toegeschreven[11].
Bronnen en referenties:
[1] المجیب – السلام عليكم ماصحة حديث الإمام علي انزلني الدهر وانزلني حتى قيل علي ومعاويه
[2] [3] [10] علي (عليه السلام) كوكب في أفق السماء | مؤسسة علوم نهج البلاغة
[6] [16] مثالب العرب .. باب تسمية ذوات الرايات وأمهاتهن ومن ولدن | ثرثرة عاقلة عن عالم مجنون ..
[7] من هن ذوات الرايات وهل من بينهن والدة أبي بكر ووالدة عمرو بن العاص ووالدة معاوية؟
[11] كتابات في الميزان / من هو الدعي بن الدعي ؟ دراسة وتحليل