[57] De Nacht van 15 Shaʿbān: De Geboorte van Imam al-Mahdi (ajfs)

De meest complete Nederlandse reconstructie uit al-Kāfī, Kamāl al-Dīn, al-Ghaybah en Biḥār al-Anwār

Klik om de tekstversie te lezen

De Nacht van 15 Shaʿbān: De Geboorte van Imam al-Mahdi (ajfs)

De meest complete Nederlandse reconstructie uit al-Kāfī, Kamāl al-Dīn, al-Ghaybah en Biḥār al-Anwār

Baqiyyat Allāh Instituut
februari 2026

Inleiding

Het heiligdom van al-ʿAskariyyayn in Sāmarrā (Irak) markeert de historische plek van deze gebeurtenis. Imam ʿAlī al-Hādī (as) en Imam Ḥasan al-ʿAskarī (as) liggen hier begraven, en in hetzelfde huis zag ook Imam al-Mahdi (ajfs) in 869 n.Chr. in het geheim het levenslicht. Naast de graven bevindt zich de beroemde sardāb (ondergrondse kamer) vanwaar de jonge Imam verdween aan het begin van zijn Ghaybah, waardoor dit heiligdom een bijzondere spirituele betekenis kreeg voor de sjiitische gemeenschap[1].

In de Imāmī (Twaalfershi’itische) theologie is de wilādah (geboorte) van de laatste imam, Imam al-Mahdi (ajfs), van cruciaal belang. Dit evenement staat symbool voor de voortzetting van goddelijke leiding en de vervulling van profetieën over een rechtvaardige Verlosser die de wereld zal vullen met gerechtigheid[2]. Vele prominente geleerden hebben het belang van deze geboorte benadrukt. Shaykh al-Ṣadūq (Ibn Bābūway) wijdde zijn encyclopedie Kamāl al-Dīn wa Tamām al-Niʿma geheel aan de bewijzen voor de geboorte, occultatie en beloofde komst van de Mahdi[3][4]. In de inleiding van dat werk schrijft al-Ṣadūq dat hij deze tradities verzamelde om twijfels weg te nemen en aan te tonen dat het geloof in de Mahdi de voltooiing van de godsdienst inhoudt[5][4]. Evenzo bevestigde Shaykh al-Mufīd in al-Irshād de geboorte van al-Mahdi en onderstreepte hij de uitzonderlijke omstandigheden ervan als een centraal geloofspunt[6]. Vanaf de vroege bronnen van al-Kulaynī (auteur van al-Kāfī) tot latere autoriteiten als ʿAllāmah al-Ḥillī en as-Sayyed al-Murtaḍā, hebben Imāmī geleerden unaniem overgeleverd dat de Mahdi inderdaad geboren is halverwege de 9e eeuw en dat deze gebeurtenis een hoeksteen vormt van het Imamī-geloof[7].

In dit artikel reconstrueren we de meest volledige en gedetailleerde beschrijving van de geboorte van Imam al-Mahdi (ajfs) aan de hand van betrouwbare overleveringen uit klassieke Imamī-bronnen. We bespreken eerst de historische achtergrond tijdens het leven van zijn vader Imam al-ʿAskarī (as). Vervolgens beschrijven we de geboorte zelf – voornamelijk gebaseerd op ooggetuigenverslagen van Sayyeda Ḥakīma Khātūn (as) – inclusief tijd, plaats, omstandigheden en vermeldenswaardige mirakels. Ook besteden we aandacht aan de daaropvolgende verberging (ghaybah) en waarom de geboorte in het geheim plaatsvond. We sluiten af met een reflectie op de spirituele betekenis van deze geboorte en het voortbestaan van het Imāma.

﴿ وَكَلْبُهُمْ بَاسِطٌ ذِرَاعَيْهِ بِالْوَصِيدِ ﴾

خادمُ بابِ حيدرَة وذَرَّةُ تُرابٍ تحتَ القُبَّةِ الذَّهَبِيَّةِ في النجف

Dienaar van de Poort van Ḥaydara én een stofdeeltje onder de gouden koepel in Najaf

Historische achtergrond

Imam Ḥasan al-ʿAskarī (as), de elfde Imam, leefde onder streng Abbasidisch toezicht. In 235 AH had ‘kalief’ al-Mutawakkil (la) hem samen met zijn vader Imam ʿAlī al-Hādī (as) gedwongen van Medina naar de regeringsplaats Sāmarrā te verhuizen, zodat de regime hen beter kon controleren[8]. De Abbasidische heersers waren namelijk op de hoogte van profetieën en overleveringen dat er uit het nageslacht van de heilige Profeet (s) een Mahdi zou voortkomen die een rechtvaardige regering over oost en west zou vestigen en tirannie omver zou werpen[9]. Uit angst voor deze beloofde Verlosser zetten de kaliefen alles op alles om zijn komst te verhinderen. Al-Muʿtamid (la), de Abbasidische kalief ten tijde van Imam al-ʿAskarī, had bijvoorbeeld spionnen en vroedvrouwen aangesteld die herhaaldelijk de huizen van de Alawieten en met name dat van Imam al-ʿAskarī doorzochten, om elke pasgeboren jongen direct te kunnen doden[10].

Imam al-ʿAskarī zelf werd grotendeels onder huisarrest gehouden in Sāmarrā. Toch trad hij in het geheim in het huwelijk met een nobele dame genaamd Sayyeda Narjis Khātūn (as). Overleveringen (o.a. overgeleverd door Shaykh al-Ṣadūq) identificeren Sayyeda Narjis als Malika, een prinses uit het Byzantijnse Rijk, die middels goddelijke voorzienigheid in slavernij terechtkwam en vervolgens door Imam al-Hādī’s agent werd vrijgekocht om de echtgenote van Imam al-ʿAskarī te worden[11][12]. Sayyeda Narjis verbleef onder de zorg van Sayyeda Ḥakīma, de vrome zuster van Imam al-Hādī. Al tijdens hun eerste ontmoeting had Imam al-Hādī aan Sayyeda Ḥakīma onthuld dat deze jonge vrouw bestemd was om “de moeder van al-Qāʾim” te worden[13][14]. Sayyeda Ḥakīma onderrichtte Sayyeda Narjis in de geloofspraktijken en hielp bij het verborgen houden van haar zwangerschap.

De politieke dreiging was immers uiterst hoog. al-Muʿtamid liet Imam al-ʿAskarī’s huishouden streng bewaken. Vlak voor Imam al-ʿAskarī’s overlijden in begin 260 AH (874) voerden de Abbasiden de druk verder op. Shaykh al-Mufīd vermeldt dat direct na het overlijden van Imam al-ʿAskarī de Abbasidische overheid zijn huis liet doorzoeken en zijn dienstpersoneel ondervroeg, in een poging zijn vermeende zoon te vinden[15]. De ‘kalief’ wist dat op die dag volgens het Imamī-geloof het Imāma zou overgaan op de Twaalfde Imam[16][17]. Jaren later, toen geruchten de ronde deden dat de Mahdi al circa 20 jaar oud was en nog in leven, had al-Muʿtadid zelfs overwogen de gehele familie van Imam al-ʿAskarī uit te moorden om “de laatste Imam” uit te schakelen[18]. Deze historische context toont aan dat de geboorte van Imam al-Mahdi plaatsvond in een klimaat van vervolging en gevaar, vergelijkbaar met het Bijbelse verhaal van Mozes (Mūsā) waarover later meer.

De geboorte van Imam al-Mahdi

Ondanks de strenge bewaking voltrok de langverwachte geboorte zich in het diepste geheim. Volgens de meeste betrouwbare bronnen – waaronder Shaykh al-Mufīd in al-Irshād en al-Kulaynī in al-Kāfī – vond de geboorte plaats in het huis van Imam al-ʿAskarī te Sāmarrā op de avond/nacht van 15 Shaʿbān 255 AH (ongeveer 29 juli 869 n.Chr.)[19][7]. Imam al-ʿAskarī’s echtgenote Sayyeda Narjis (ook bekend onder de namen Sūsān, Sāiqal of Malika in verschillende bronnen[20][21]) vertoonde tot ieders verbazing geen zichtbare tekenen van zwangerschap. Dit was een bewuste mirakel en maatregel van Allah om de zwangerschap te verbergen van de Abbasidische spionnen. Imam al-ʿAskarī legde aan zijn tante Sayyeda Ḥakīma uit dat Sayyeda Narjis’ toestand te vergelijken was met die van de moeder van Mozes: “Haar voorbeeld is zoals dat van de moeder van Mūsā. Destijds bleef de zwangerschap verborgen en wist niemand ervan tot het uur van de geboorte, omdat Firʿawn alle zwangere vrouwen liet opensnijden op zoek naar Mūsā. Op dezelfde wijze heeft Allah dit [kind] verborgen gehouden”[22][23].

Uit de overleveringen blijkt dat Sayyeda Ḥakīma Khātūn een sleutelrol speelde bij de geboorte. Imam al-ʿAskarī had haar op de 14e Shaʿbān bij zich geroepen en toevertrouwd: “O tante, blijf vannacht bij ons, want vannacht zal de door Allah geëerde kind geboren worden, door wie Allah de aarde na haar dood weer tot leven zal wekken”[24]. Sayyeda Ḥakīma, een ervaren en vertrouwelijke vrouw uit de Ahl al-Bayt, bleef die nacht in het huis en hield Sayyeda Narjis nauwlettend in de gaten. Rond het einde van de nacht, vlak voor Fajr, werd Sayyeda Narjis onrustig wakker – het teken dat de bevalling op handen was[25][26].

Sayyeda Ḥakīma begon verzen uit de Qurʾān te reciteren om Sayyeda Narjis te kalmeren, met name Sūrat al-Qadr (“Innā anzalnāhu fī laylatil-qadr…”) zoals Imam al-ʿAskarī haar had aangeraden[26]. Op dat moment vond een wonder plaats: vanuit Sayyeda Narjis’ schoot reciteerde de ongeboren baby de verzen mee en begroette hij Sayyeda Ḥakīma met salām![27][28]. Sayyeda Ḥakīma vertelt dat ze versteld stond toen ze die zachte stem vanuit de baarmoeder hoorde. Imam al-ʿAskarī riep haar meteen toe zich niet te verwonderen over Allah’s macht: “Verbaas je niet over Allah’s gebod… Hij schenkt ons (de Imams) spraak in de kindertijd en maakt ons op volwassen leeftijd tot Zijn Bewijs (ḥujjah) op aarde”[29][30].

Plotseling nam een tijdelijke blindheid of sluier bezit van Sayyeda Ḥakīma’s gezichtsveld – een mystieke beschutting op het sublieme moment. Wanneer die verdween, zag zij Sayyeda Narjis niet langer in normale staat maar omgeven door een intens licht[31][32]. Op de grond lag de pasgeboren baby: het jongetje was neergevallen in sujūd (nederwerping), met zijn voorhoofd, handpalmen, knieën en tenen de aarde aanrakend, en hij reciteerde gebeden[33]. Sayyeda Ḥakīma nam de zuigeling vol ontzag op in haar armen en merkte op dat hij geheel rein en schoon was. Er kleefde geen spoor van bloed of bevuiling aan moeder of kind – in tegendeel, de baby was zelfs al besneden bij de geboorte, wat volgens Sayyeda Ḥakīma kenmerkend is voor alle Imams[33][34]. Vervolgens hoorde zij de pasgeborene helder de tawḥīd uitspreken: “Ašhadu an lā ilāha illā-llāh, waḥdahū lā sharīka lahū; wa ašhadu anna Muḥammadan jaddī Rasūlu-llāh” (“Ik getuig dat er geen godheid is dan Allah, Hij is Eén en heeft geen deelgenoot; en ik getuig dat Muḥammad, mijn grootvader, de Boodschapper van Allah is”), waarna hij ook de namen van zijn voorvaderen één voor één noemde – van Amīr al-Mu’minīn ʿAlī (as) tot Imam Ḥasan al-ʿAskarī (as) – en ten slotte zichzelf als de erfgenaam identificeerde[35]. Volgens deze overlevering bad de pasgeborene direct hierna: “O Allah, vervul Uw belofte aan mij, voltooi mijn opdracht, versterk mijn positie en vul de aarde door mij met gerechtigheid en rechtvaardigheid”, waarmee hij zinspeelde op zijn toekomstige missie[36][37].

Na deze buitengewone gebeurtenis wikkelde Sayyeda Ḥakīma de baby in doeken en droeg hem naar zijn vader Imam al-ʿAskarī. Zodra zij binnenkwam, begroette de pasgeborene zijn vader met de woorden “As-salāmu ʿalayka yā abāṭāh” (Vrede zij met u, vader)[38][39]. Tranen van geluk vulden Sayyeda Ḥakīma’s ogen bij het aanschouwen van deze wonderen. Imam al-ʿAskarī nam zijn zoon liefdevol over en voerde de islamitische rituelen uit: hij fluisterde de adhān in het rechteroor en de iqāma in het linkeroor van de baby[40][41], zodat het eerste wat het kind in deze wereld hoorde de oproep tot de eenheid van Allah en het succes van het geloof was. Ook streelde de Imam met zijn hand over de rug en ogen van het kind en plaatste voorzichtig zijn tong in het mondje van de zuigeling, een teken van liefde en wellicht om hem met spirituele kennis te voeden[42]. Vervolgens droeg hij Sayyeda Ḥakīma op de baby terug te brengen naar zijn moeder Sayyeda Narjis, opdat haar hart zich kon verblijden[41].

Sayyeda Ḥakīma verliet even de kamer om de baby naar Sayyeda Narjis te brengen. Toen zij kort daarna terugkeerde naar Imam al-ʿAskarī’s kwartier, zag zij tot haar verbazing geen spoor van de baby meer. Bezorgd vroeg ze haar neef waar het kind gebleven was. Imam al-ʿAskarī antwoordde kalm: “Wij hebben hem toevertrouwd aan degene aan wie de moeder van Mūsā haar zoon toevertrouwde”[43][44]. Hiermee maakte de Imam duidelijk dat Allah zelf – via Zijn onzichtbare beschermengelen – de zuigeling onder Zijn hoede had genomen, vergelijkbaar met de bescherming van baby Mozes. Sommige overleveringen, zoals overgeleverd in Bihār al-Anwār, beschrijven op dit punt dat er plotseling witte vogels in de kamer cirkelden boven de baby[45]. Imam al-ʿAskarī nam één van die vogels toe en instrueerde deze: “Neem hem mee en bescherm hem, en breng hem na veertig dagen bij ons terug”. De vogel nam op wonderbaarlijke wijze het kind op en vloog ermee de hemel tegemoet, gevolgd door de andere vogels[45][46]. Sayyeda Narjis raakte ongerust bij het zien van haar kind dat verdween, maar Imam al-ʿAskarī troostte haar: “Wees gerust, hij zal aan niemand de borst drinken behalve bij jou. Allah zal hem net als Mūsā spoedig weer naar jou terugbrengen”[46]. Hierbij reciteerde hij de Qurʾān-verzen over Mozes: “Zo gaven Wij hem terug aan zijn moeder, opdat haar oog gekoeld zou worden en zij niet zou treuren, en opdat zij zou weten dat Allah’s belofte waar is”[46] (Qurʾān 28:13). Deze woorden brachten Sayyeda Narjis tot rust.

Precies veertig dagen later riep Imam al-ʿAskarī haar opnieuw bij zich. Tot haar verbazing zag zij in de kamer een kleine jongen rondlopen, zo stralend als de volle maan. “Mijn meester, dit kind lijkt wel twee jaar oud,” riep Sayyeda Ḥakīma uit[47]. Imam al-ʿAskarī glimlachte en antwoordde: “De kinderen van ons (Ahl al-Bayt), wanneer zij Imams zijn, groeien anders dan gewone mensen. Een van ons kan in de schoot van zijn moeder spreken, de Qurʾān reciteren en zijn Heer aanbidden. Op zuigelingenleeftijd gehoorzamen de engelen hem en dalen elke ochtend en avond bij hem neer”[47][48]. Met andere woorden: Allah liet de jonge Mahdi op bovennatuurlijke wijze versneld opgroeien en begaafd zijn, opdat hij spoedig de verantwoordelijkheden van het Imāma kon dragen. Sayyeda Ḥakīma bevestigt dat zij de Mahdi hierna elke veertig dagen zag; in enkele maanden tijd zag zij hem zelfs in de gedaante van een volwassen man vlak vóór het martelaarschap van Imam al-ʿAskarī[49][50]. Kort voor zijn martelaarschap in 260 AH liet Imam al-ʿAskarī zijn tante Sayyeda Ḥakīma en ook anderen weten: “Dit is mijn zoon, en hij is mijn opvolger na mij. Ik zal spoedig niet meer onder jullie zijn. Luister daarom naar hem en gehoorzaam hem”[49][51]. Deze instructie bevestigde ondubbelzinnig dat al-Mahdi de volgende Imam was, ondanks dat hij nog een kind was.

In de dagen daarna begonnen steeds meer betrouwbare volgelingen de bijzondere jongen met eigen ogen te zien. Zo overlevert Abū Ghānim, een dienaar van Imam al-ʿAskarī, dat er een groep intimi op de derde dag na de geboorte werd verzameld. Imam al-ʿAskarī toonde hun zijn pasgeboren zoon en zei: “Dit is jullie leider na mij en mijn khalīfa over jullie. Hij is al-Qāʾim (de Opstaande) op wie de nekken reikhalzend zullen wachten. Wanneer de aarde gevuld is geraakt met onrecht en onderdrukking, zal hij verschijnen en haar vullen met rechtvaardigheid en billijkheid”[52][2]. Deze krachtige verklaring – overgeleverd in Kamal al-Dīn van al-Ṣadūq door de keten Ibn al-Mutawakkil → al-ʿAmrī → Muḥammad b. Aḥmad al-ʿAlawī → Abū Ghānim[52] – laat zien dat de geboorte van de Mahdi binnen drie dagen officieel bekendgemaakt werd aan een kleine kring van trouwe Shiʿa. De jonge Imam kreeg ook bij deze gelegenheid van zijn vader de naam Muḥammad mee, met de kunya (ere-titel) Abū l-Qāsim, dezelfde naam en titel als de Heilige Profeet (s)[52][2].

Behalve Sayyeda Ḥakīma en Abū Ghānim getuigen meerdere vooraanstaande metgezellen van Imam al-ʿAskarī over ontmoetingen met de Mahdi als kind. Zo is er het beroemde verslag van Aḥmad b. Isḥāq al-Qummī (een vertrouwde volgeling en vertegenwoordiger van de Imam in Qom): Aḥmad bezocht Imam al-ʿAskarī kort vóór zijn martelaarschap met de intentie te vragen wie de volgende Imam zou zijn. Nog vóór Aḥmad zijn vraag kon stellen, zei Imam al-ʿAskarī: “O Aḥmad ibn Isḥāq, vanwaar je bezorgdheid? Weet dat God de aarde nooit zonder een Godsbewijs (ḥujjah) laat vanaf de schepping van Adam tot de Dag der Opstanding”[53][54]. Aḥmad vroeg daarop wie de ḥujjah na hem (Imam al-ʿAskarī) zou zijn. Imam al-ʿAskarī liep de binnenkamer in en kwam terug met een jongentje van ongeveer drie jaar oud, die glansde als een volle maan, op zijn schouder[55][56]. “O Aḥmad,” zei de Imam, “als jij niet zo’n verheven positie bij Allah en Zijn bewijs (de Imams) had, dan zou ik je dit kind niet hebben getoond. Dit is mijn zoon, genoemd naar de Boodschapper van Allah en ook in zijn karakter gelijkend aan hem. Hij is degene die de aarde zal vullen met gerechtigheid zoals zij eerder met tirannie gevuld was. In deze gemeenschap is zijn voorbeeld zoals dat van Khidr en Dhū l-Qarnayn. Ik zweer bij Allah dat hij een ghaybah (verborgenheid) zal ingaan, zo lang dat slechts degenen die Allah standvastig houdt in het geloof in zijn Imāma zullen ontkomen aan verlies en vernietiging”[57][58]. Aḥmad b. Isḥāq vroeg toen om een teken of bewijs van de authenticiteit van dit kind. Daarop sprak de jongen zelf, in vloeiend Arabisch, en zei: “Ik ben Baqiyyatullāh (het door God Bewaarde) op Zijn aarde, en de Wreker van Zijn vijanden. O Aḥmad, ga na wat je met eigen ogen hebt gezien, en verlang geen verdere bewijs na direct aanschouwen”[59][60]. Met overweldigde vreugde en zekerheid verliet Aḥmad het huis, prijzend Allah. Dit verslag – overgeleverd via de keten Saʿd b. ʿAbdallāh al-Ashʿarī → Aḥmad b. Isḥāq en gedocumenteerd door al-Ṣadūq[61][62] – behoort tot de meest betrouwbare bewijzen voor de geboorte en het Imāma van Imam al-Mahdi.

Tal van andere metgezellen bevestigden soortgelijke ervaringen. ʿUthmān b. Saʿīd al-ʿAmrī – die later de eerste nāʾib (plaatsvervanger) van de verborgen Imam zou worden tijdens de Kleine Ghaybah – had al in de levensdagen van Imam al-ʿAskarī contact met de jonge Mahdi en was aanwezig bij gebeurtenissen rondom zijn geboorte[63][64]. Andere vertrouwde dienaren en familieleden, zoals Sayyeda Ḥakīmā en de moeder van Imam al-ʿAskarī (Sayyeda ʿHalīlah of Sālīl), hebben eveneens getuigd van de geboorte of het bestaan van deze zoon. De historische bronnen bevatten kettingen van overleveraars waarin meerdere personen onafhankelijk van elkaar bevestigen dat Imam al-ʿAskarī hen zijn erfgenaam liet zien en het kind Muḥammad noemde[65][66]. Zo noteert al-Kulaynī in al-Kāfī (Isnād: Muḥammad b. Yaḥyā → al-Ḥusayn b. Rizq Allāh → Mūsā b. Muḥammad b. al-Qāsim → Ḥakīma bint Muḥammad al-Jawād) dat Ḥakīma zei “Ik heb hem gezien in de nacht van zijn geboorte, en daarna weer”[65][67]. Het feit dat zoveel gerespecteerde Shiʿitische geleerden en hadith-verzamelaars – al-Kulaynī, Ibn Bābūway (al-Ṣadūq), al-Nuʿmānī, al-Mufīd, al-Ṭūsī, etc. – deze rapporten hebben gedocumenteerd, toont aan hoe wijdverspreid en zeker de geboorte van al-Mahdi voor de vroege gemeenschap was.

Verberging (Ghaybah) en geheimhouding

De geboorte van Imam al-Mahdi vond, zoals besproken, onder geheimzinnige omstandigheden plaats om hem te behoeden voor de Abbasidische vervolging. Shaykh al-Mufīd verklaart ondubbelzinnig dat de reden voor de verborgen geboorte de intense repressie was: de heerser van die tijd stond paraat om de “laatste Godsbewijs” te vermoorden indien hij gevonden werd[6]. Direct na de bevalling bleef Sayyeda Narjis’ zoon daarom slechts bekend aan een select gezelschap van vertrouwelingen. Imam al-ʿAskarī waarschuwde dat dit noodzakelijk was en trok de parallel met de strategie van Firʿawn die destijds op zoek was naar de pasgeboren Mūsā[22][23]. Allah zorgde ervoor dat de Mahdi’s geboorte alleen door veilige handen werd bevestigd (zoals Sayyeda Ḥakīma) en dat het kind afgeschermd werd van nieuwsgierige blikken.

Kort na de geboorte begon al feitelijk de eerste fase van de Ghaybah (Occultatie). Toen Imam Ḥasan al-ʿAskarī in 260 AH (874 n.Chr.) werd vermoord en de Imāmī gemeenschap zonder zichtbaar Imam dreigde te zitten, trad de Mahdi – die toen nog maar vijf jaar oud was – niet publiekelijk naar voren. In plaats daarvan startte de periode die bekendstaat als de Kleine Ghaybah (al-Ghaybah al-Ṣughrā), waarin Imam al-Mahdi zich verborgen hield voor het grote publiek maar via speciale vertegenwoordigers contact onderhield met zijn volgelingen[58][68]. Imam Al-ʿAskarī had vlak voor zijn martelaarschap al aangekondigd dat zijn zoon een langdurige verborgenheid zou kennen: “Bij Allah, hij zal zeker een periode van afwezigheid ingaan, waarin niemand voor de ondergang behoed wordt behalve wie Allah standvastig houdt in de overtuiging van zijn Imāma en hen succes schenkt om te blijven bidden voor zijn spoedige komst”[58].

Tijdens de Kleine Ghaybah (874-941) traden vier achtereenvolgende Safīr of nuwwāb (plaatsvervangers) op namens de verborgen Imam. Dit waren achtereenvolgens: (1) ʿUthmān b. Saʿīd al-ʿAmrī (de oude vertrouweling van Imam al-ʿAskarī), (2) zijn zoon Muḥammad b. ʿUthmān, (3) Ḥusayn b. Rūḥ, en (4) ʿAlī b. Muḥammad al-Samarī. Via deze vertegenwoordigers stuurde Imam al-Mahdi brieven en instructies (tawqīʿāt) aan de Shiʿa, beantwoordde juridische en religieuze vragen, en werd de gemeenschap geleidelijk voorbereid op een langere periode zonder direct contact[63][69]. Gedurende deze jaren wisten dus nog enkele vertrouwelingen (naast de nuwwāb) van zijn bestaan en zagen hem soms van afstand, maar zijn verblijfplaats bleef steeds wisselend en geheim. Toen in 329 AH (941 n.Chr.) de vierde nāʾib overleed zonder een opvolger te noemen, begon de Grote Ghaybah (al-Ghaybah al-Kubrā). Sindsdien is er – volgens de Imāmī overtuiging – geen door de Imam aangewezen aardse plaatsvervanger meer, en blijft Imam al-Mahdi (ajfs) verborgen tot aan de door Allah bepaalde tijd van zijn Ẓuhūr (hernieuwde publieke verschijnen).

Het besluit van Allah om de Mahdi in het verborgen te laten geboren worden en op te laten groeien, wordt in de Imamī traditie gezien als zowel een veiligheidsmaatregel als een beproeving voor de gelovigen. Net zoals de Bani Isra’īl destijds werden getest tijdens de kinderjaren van Mozes, zo werden de Shiʿa getest in hun geloof en geduld. Velen van hen hebben de Mahdi nooit persoonlijk gezien, maar vertrouwen op de mutawātir overleveringen en de consensus van hun geleerden die bevestigen dat de Mahdi inderdaad is geboren en leeft, ook al is hij onzichtbaar[70][71]. Historisch ontstonden na Imam al-ʿAskarī’s overlijden weliswaar enkele afsplitsingen (zoals de Wāqifiyya en anderen die het imāma van een zoon ontkenden), maar de hoofdstroom van de Imamiyyah bleef standvastig in het geloof aan de geboren Mahdi[71]. Al-Mufīd merkt in 373 AH op dat in zijn tijd enkel de Twaalvershi’ieten als stroming was overgebleven – allen verenigd in de overtuiging van het imāma van Muḥammad al-Mahdi ibn al-ʿAskarī[71]. Dit geloof was dus stevig verankerd en de talloze authentieke rapporten van ooggetuigen, samen met theologische argumenten (zoals dat de aarde nooit zonder ḥujjah kan zijn[53]), maakten de verborgen aanwezigheid van de 12e Imam tot een fundamenteel geloofsleerprincipe in de Imamī theologie.

Conclusie

De wilādah (geboorte) van Imam al-Mahdi (ajfs) wordt door Imamī Shiʿa beschouwd als een zegenrijk keerpunt dat de continuïteit van de goddelijke leiding verzekert. Het is de vervulling van de belofte dat de aarde nooit zonder een levende Imam zal zijn: “Sinds Allah Adam schiep heeft Hij de aarde niet zonder een Godsbewijs gelaten, en dat zal Hij evenmin doen tot de Laatste Dag”[53]. Met de geboorte van Imam al-Mahdi in 255 AH was de keten van twaalf imams – zoals door de heilige Profeet (s) voorzegd – compleet, waarmee de godsdienst “vervolmaakt” werd[5]. Ondanks alle pogingen van tirannen om dit “licht” te doven, heeft Allah Zijn licht laten stralen en zal Hij het blijven volmaken[72]. Voor de gelovigen is het besef dat de Mahdi leeft, zij het onzichtbaar, een voortdurende bron van hoop en spirituele kracht. Het herinnert hen eraan dat onrecht en onderdrukking niet voorgoed zullen voortduren, en dat er altijd een goddelijke gids is die waakt over de mensheid en die op de door Allah bepaalde tijd zal verschijnen om ware rechtvaardigheid te vestigen[2].

Imam al-Mahdi’s verborgen bestaan wordt gezien als een beproeving die de oprechtheid van het geloof zuivert. In afwezigheid van fysiek contact met de Imam houden de Shiʿa vast aan het gebed en smeken zij Allah om de spoedige komst (faraj) van Imam al-Mahdi. Elk jaar herdenken zij op 15 Shaʿbān met vreugde en devotie zijn geboorte – die geheime nacht in Samarra die tegelijk zo groots was in betekenis. Geleerden als al-Majlisī betogen dat deze herdenking de band tussen de gemeenschap en de verborgen Imam versterkt, aangezien men zich realiseert dat Allah’s belofte daadwerkelijk in vervulling is gegaan en de Imāma ononderbroken voortduurt[7]. Spiritueel symboliseert de geboorte van de Mahdi dat God Zijn zorg voor de aarde nooit laat varen: er blijft altijd een Baqiyyatullāh (Overblijfsel van Allah) aanwezig als bron van zegen, leiding en test voor de mensheid[59][60].

Tot slot geeft de reconstructie van Imam al-Mahdi’s geboorte op basis van de klassieke bronnen ons niet alleen een gedetailleerd historisch verslag, maar vooral ook een dieper inzicht in de theologische kern van het Imamī-geloof. Het verbindt de miraculeuze gebeurtenissen in dat kleine huis in Samarra met de grote verwachting die miljoenen gelovigen vandaag de dag koesteren. De wilādah van Imam al-Mahdi is daarmee niet louter een verhaal van een nacht in 869, maar een blijvende herinnering dat, ongeacht hoe donker de tijden mogen zijn, de dageraad van goddelijke rechtvaardigheid onvermijdelijk is.

Bronvermelding:

  • al-Kulaynī, Muḥammad ibn Yaʿqūb. (1985). al-Kāfī. Teheran: Dār al-Kutub al-Islāmiyyah. Vol. 1, blz. 331[73].
  • al-Ṣadūq (Ibn Bābūway), Muḥammad ibn ʿAlī. (1980). Kamāl al-Dīn wa Tamām al-Niʿma. Teheran: Dār al-Kutub al-Islāmiyyah. pp. 431-432[52][74].
  • al-Mufīd, Muḥammad ibn Muḥammad. (1993). al-Irshād. Qom: Muʾassasat Āl al-Bayt. Vol. 2, blz. 339-352[73][6].
  • al-Ṭūsī, Abū Jaʿfar. (1411 AH). al-Ghaybah. Najaf: al-Maṭbaʿa al-Ḥaydarīyya. (Zie met name p. 150 voor ḥadīth van Aḥmad b. Isḥāq)[57][59].
  • al-Majlisī, Muḥammad Bāqir. (1983). Biḥār al-Anwār, 2e ed. Beiroet: Dār Iḥyāʾ al-Turāth al-ʿArabī. Vol. 51, blz. 2-17[33][35]. (Bevat verzamelde riwāyāt over de geboorte van al-Mahdi).
  • al-Ḥillī, Ḥasan ibn Yūsuf. (n.d.). Kitāb al-Bāb al-Ḥādī ʿAshar (11e Hoofdstuk). In: Majmūʿat Rasāʾil. Qom: Muʾassasat al-Nashr al-Islāmī. (Bevestigt de consensus over geboorte Imam al-Mahdi)[7].
  • al-Murtaḍā, ʿAlī ibn al-Ḥusayn. (1989). Rasāʾil al-Sharīf al-Murtaḍā (Vol. 3). Beiroet: Dār al-Maḥajja al-Bayḍāʾ. (Zie Risāla fī l-Ghaybah, waarin de noodzaak van een geboren Mahdi theologisch wordt beargumenteerd).

[1] Al-Askari Shrine – Wikipedia

https://en.wikipedia.org/wiki/Al-Askari_Shrine

[2] [40] [41] [42] [52] [53] [54] [55] [56] [57] [58] [59] [60] [61] [62] [64] [65] [66] [67] [68] [69] [70] [73] [74] Has the birth of imam “Mahdi” [a.s] only been quoted via “Hakimah”? Do Shias accept this matter?

https://www.valiasr-aj.com/english/mobile_shownews.php?idnews=590

[3] [4] [5] Kamal al-din wa tamam al-ni’ma (book) – wikishia

https://en.wikishia.net/view/Kamal_al-din_wa_tamam_al-ni%27ma_(book)

[6] [7] [21] [63] [71] Imam Muhammad b. al-Hasan al-Mahdi (a) – wikishia

https://en.wikishia.net/view/Imam_Muhammad_b._al-Hasan_al-Mahdi_(a)

[8] [9] [10] [15] [16] [17] [18] [72] The Birth | The Last Luminary | Al-Islam.org

https://al-islam.org/last-luminary/birth

[11] [12] [13] [14] [19] [20] [22] [23] [24] [25] [26] [27] [28] [29] [30] [31] [32] [33] [34] [35] [36] [37] [38] [39] [43] [44] [45] [46] [47] [48] [49] [50] [51] Chapter 1: Holy Birth Of The Imam Of The Age (‘A) And The Circumstances Of His Respected Mother | The Promised Mahdi Part 1 | Al-Islam.org

https://al-islam.org/promised-mahdi-part-1-muhammad-baqir-majlisi/chapter-1-holy-birth-imam-age-circumstances-his-respected-mother

Klik voor PDF bestand

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven