[55] Khutba van Sayyeda Zaynab (as): De Dag dat Yazid (la) werd Ontmaskerd

De Damascus-khutba: Karbala’s blijvende getuigenis tegen Omajjadische propaganda — parallel Arabisch–Nederlands.

Klik om de tekstversie te lezen

Khutba van Sayyeda Zaynab (as): De Dag dat Yazid (la) werd Ontmaskerd

De Damascus-khutba: Karbala’s blijvende getuigenis tegen Omajjadische propaganda — parallel Arabisch–Nederlands.

Baqiyyat Allāh Instituut
januari 2026

Inleiding

In de nasleep van de tragedie van Karbala (680 n.Chr.) werden de overlevende familieleden van Imam Husayn – onder wie zijn zuster Zaynab bint ‘Ali (as) – als gevangenen naar Damascus gebracht, waar de Omajjadische tiran Yazid ibn Mu’awiya (la) triomfantelijk de martelaren van Ahl al-Bayt (as) tentoonstelde[1]. Tijdens een samenkomst in Yazids hof – waarin hij zelfs spottende dichtregels citeerde om zijn “overwinning” te vieren – stond Sayyeda Zaynab (as), de dochter van Imam ‘Ali (as) en Sayyeda Fatima (as), op en hield een vlammende khutba (toespraak) die de tiran tot in zijn kern zou schokken. In deze moedige redevoering hekelde Sayyeda Zaynab (as) openlijk de wandaden van Yazid en zijn leger, verdedigde zij de eer van de heilige Profeet (s) en zijn nageslacht, en herinnerde zij iedereen eraan dat de schijnbare zege van onrechtvaardigen slechts tijdelijk is. Zoals de hedendaagse historicus Ibrāhīm Āyātī opmerkt, opende Sayyeda Zaynab (as) hiermee “een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van Yazids heerschappij”[2] – het moment waarop de zegevierende tiran publiekelijk te kijk werd gezet door een gevangene met de waarheid aan haar zijde.

Deze historische khutba geldt als een van de beroemdste en krachtigste redevoeringen binnen de Islamitische geschiedenis, vooral binnen de Shi’itische traditie. De welbespraaktheid en onbevreesdheid van Sayyeda Zaynab (as) in aanwezigheid van de moordenaar van haar broer worden gezien als het moment waarop de boodschap van Karbala levend werd gehouden. De toespraak is ons overgeleverd in talrijke bronnen. Een van de vroegst bekende documentaties van de tekst staat in Balāghāt al-Nisā’ (“De welsprekendheid der vrouwen”) van Ibn Abī Ṭāyfur uit de 3e eeuw AH[3], een bewijs van hoe indrukwekkend haar woorden werden geacht. Verschillende klassieke Imamiyyah-geleerden hebben deze khutba integraal opgenomen en van commentaar voorzien. Zo vermeldde al-Shaykh al-Mufīd (948–1022) de gebeurtenissen in Yazids hof in zijn historische werk Al-Irshād[4]. Al-Ṭabrisī (gest. ca. 1153) nam de volledige tekst van Sayyeda Zaynab (as)’s rede op in zijn boek Al-Iḥtijāj[5], dat is gewijd aan beroemde debatten en toespraken. Sayyed Raḍī al-Dīn Ibn Ṭāwūs (1193–1266) vertelt de khutba in detail in zijn maqtal-werk Al-Luḥūf fī Qatlā al-Ṭufūf[5]. Eveneens nam ‘Allāma Majlisī (1616–1698) deze rede op in zijn encyclopedie Biḥār al-Anwār (dl. 45)[6]. Ook latere geleerden zoals ‘Allāma al-Ḥillī (1250–1325) benadrukten in hun verhandelingen de gruwelen die Ahl al-Bayt zijn aangedaan en prezen Sayyeda Zaynab (as)’s standvastigheid, waarmee zij het blijvende belang van deze toespraak onderstreepten. De klassieke bronnen zijn het erover eens dat Sayyeda Zaynab (as)’s woorden op indrukwekkende wijze Qur’an-verzen in het moment wisten te vlechten om Yazid te confronteren met de vergankelijkheid van zijn wereldlijke triomf[7][8]. In onderstaande parallelle weergave wordt de Arabische tekst van de khutba volledig weergegeven, met daarnaast een nauwkeurige vertaling in modern Nederlands, vergezeld van voetnoten voor uitleg en bronverwijzing.

De Redevoering van Sayyeda Zaynab (as) in het hof van Yazid (la)

Arabische Tekst

Nederlandse Vertaling

الْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ الْعالَمِينَ، وَصَلَّى اللَّهُ عَلَى جَدِّي سَيِّدِ الْمُرْسَلِينَ، صَدَقَ اللَّهُ سُبْحَانَهُ كَذَلِكَ يَقُولُ: ثُمَّ كانَ عاقِبَةَ الَّذِينَ أَساؤُا السُّوأى‏ – أَنْ كَذَّبُوا بِآياتِ اللَّهِ وَكانُوا بِها يَسْتَهْزِؤُنَ

Alle lof zij Allah, de Heer der werelden. Moge Allah zegeningen schenken aan mijn grootvader, de Heer der Boodschappers. Allah de Verhevene heeft waarachtig gesproken waar Hij zegt: “Toen was het einde van degenen die kwaad deden het allerkwadere – doordat zij de tekenen van Allah loochenstraffen en ze bespotten.”

أَظَنَنْتَ يَا يَزِيدُ حِينَ أَخَذْتَ عَلَيْنَا أَقْطَارَ الْأَرْضِ، وَضَيَّقْتَ عَلَيْنَا آفَاقَ السَّمَاءِ، فَأَصْبَحْنَا لَكَ فِي إِسَارٍ، نُسَاقُ إِلَيْكَ سَوْقاً فِي قِطَارٍ، وَأَنْتَ عَلَيْنَا ذُو اقْتِدَارٍ، أَنَّ بِنَا مِنَ اللَّهِ هَوَاناً وَعَلَيْكَ مِنْهُ كَرَامَةً وَامْتِنَاناً؟ وَأَنَّ ذَلِكَ لِعِظَمِ خَطَرِكَ وَجَلَالَةِ قَدْرِكَ؟ فَشَمَخْتَ بِأَنْفِكَ وَنَظَرْتَ فِي عِطْفٍ، تَضْرِبُ أَصْدَرَيْكَ فَرِحاً وَتَنْفُضُ مِدْرَوَيْكَ مَرِحاً حِينَ رَأَيْتَ الدُّنْيَا لَكَ مُسْتَوْسِقَةً وَالْأُمُورَ لَدَيْكَ مُتَّسِقَةً وَحِينَ صَفِيَ لَكَ مُلْكُنَا وَخَلَصَ لَكَ سُلْطَانُنَا.

O Yazid! Dacht je werkelijk – nu je ons van alle kanten op aarde omsingeld en de horizon van de hemel voor ons verduisterd hebt, nu wij als gevangenen voor jou staan en als slaven in een konvooi naar je toe gedreven zijn, en jij je macht naar hartelust over ons kunt laten gelden – dacht je dat dit betekent dat wij door Allah vernederd zijn en dat jij door Hem geëerd en begunstigd bent? Waande je dat dit komt door jouw hoog aanzien en verheven waarde? Jij liep hoogmoedig met opgeheven kin rond en keek uit de hoogte neer – trommelend van blijdschap op je borst en stuiterend van vreugde op je voeten – toen je zag dat de wereld zich compleet naar jouw hand had gezet, dat al jouw zaken voorspoedig verliepen, en dat ons koninkrijk jou in de schoot was gevallen en onze heerschappij geheel voor jou was weggelegd.

فَمَهْلًا مَهْلًا لَا تَطِشْ جَهْلًا! أَنَسِيتَ قَوْلَ اللَّهِ: وَلا يَحْسَبَنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا أَنَّما نُمْلِي لَهُمْ خَيْرٌ لِأَنْفُسِهِمْ، إِنَّما نُمْلِي لَهُمْ لِيَزْدَادُوا إِثْمًا وَلَهُمْ عَذابٌ مُهِينٌ

Heb toch geduld, geduld, en dwaal niet zo onbezonnen! Ben je het woord van Allah vergeten: “En laat de ongelovigen niet menen dat het uitstel dat Wij hun geven goed voor hen is; Wij geven hun slechts uitstel opdat zij in zonde zullen toenemen. En voor hen is een vernederende bestraffing.”

أَمِنَ الْعَدْلِ يَا ابْنَ الطُّلَقَاءِ، تَخْدِيرُكَ حَرَائِرَكَ وَسَوْقُكَ بَنَاتِ رَسُولِ اللَّهِ سَبَايَا؟ قَدْ هَتَكْتَ سُتُورَهُنَّ وَأَبْدَيْتَ وُجُوهَهُنَّ، يَحْدُو بِهِنَّ الْأَعْدَاءُ مِنْ بَلَدٍ إِلَى بَلَدٍ، وَيَسْتَشْرِفُهُنَّ أَهْلُ الْمَنَاقِلِ وَيَبْرُزْنَ لِأَهْلِ الْمَنَاهِلِ، وَيَتَصَفَّحُ وُجُوهَهُنَّ الْقَرِيبُ وَالْبَعِيدُ، وَالْغَائِبُ وَالشَّهِيدُ، وَالشَّرِيفُ وَالْوَضِيعُ، وَالدَّنِيُّ وَالرَّفِيعُ، لَيْسَ مَعَهُنَّ مِنْ رِجَالِهِنَّ وَلِيٌّ وَلَا مِنْ حُمَاتِهِنَّ حَمِيمٌ، عُتُوًّا مِنْكَ عَلَى اللَّهِ وَجُحُودًا لِرَسُولِ اللَّهِ وَدَفْعًا لِمَا جَاءَ بِهِ مِنْ عِنْدِ اللَّهِ، وَلَا غَرْوَ مِنْكَ وَلَا عَجَبَ مِنْ فِعْلِكَ.

Is het soms rechtvaardig, o zoon van de Vrijgelatenen, dat jij jouw eigen vrouwen en slavinnen achter gordijnen verbergt, maar de kleindochters van de Boodschapper van Allah als slaven voor jou laat voortslepen? Jij hebt hun sluier van zich afgerukt en hun gezichten ontbloot, en je liet hen door vijandelijke soldaten van stad naar stad voeren. Het volk langs de routes staart hen aan; bij elke halteplaats worden zij tentoongesteld aan wildvreemden. Menig man, van nabij of veraf, bekend of onbekend, nobel of verachtelijk, hoog of laag, heeft hun gelaat staan bekijken – terwijl er geen enkele voogd uit hun eigen familie bij hen is, geen enkele warme beschermer om hen te verdedigen! Met deze daad tart jij moedwillig Allah, verloochen je de Boodschapper van Allah, en verklaar je botweg ongeldig wat hij namens Allah had gebracht. Maar van jou kán ook niets anders verwacht worden en men hoeft zich over jouw daden niet te verbazen.

وَأَنَّى يُرْتَجَى مُرَاقَبَةُ مَنْ لَفَظَ فُوهُ أَكْبَادَ الشُّهَدَاءِ وَنَبَتَ لَحْمُهُ بِدِمَاءِ السُّعَدَاءِ وَنَصَبَ الْحَرْبَ لِسَيِّدِ الْأَنْبِيَاءِ وَجَمَعَ الْأَحْزَابَ وَشَهَرَ الْحِرَابَ وَهَزَّ السُّيُوفَ فِي وَجْهِ رَسُولِ اللَّهِ، أَشَدُّ الْعَرَبِ لِلَّهِ جُحُودًا وَأَنْكَرُهُمْ لَهُ رَسُولًا وَأَظْهَرُهُمْ لَهُ عُدْوَانًا وَأَعْتَاهُمْ عَلَى الرَّبِّ كُفْرًا وَطُغْيَانًا.

Hoe zou iemand ooit eerbied of gewetenswroeging kunnen kennen wiens mond de lever van martelaren heeft uitgespuugd en wiens vlees gevoed is met het bloed van de rechtvaardigen? Degene wiens voorouders oorlog voerden tegen de Meester der Profeten, die alle partijen tegen hem verenigden, de speren op hem richtten en de zwaarden naar hem deden zwaaien – de man stammend uit de grootste Godontkenners onder de Arabieren, die de Boodschapper het felst verloochenden, het meest openlijk hem bestreden, en die het verst in ongeloof en opstand tegen de Heer zijn gegaan – hoe zou zo iemand ooit nog iets goeds worden?

أَلَا إِنَّهَا نَتِيجَةُ خِلَالِ الْكُفْرِ، وَضَبٌّ يُجَرْجِرُ فِي الصَّدْرِ لِقَتْلَى يَوْمِ بَدْرٍ! فَلَا يَسْتَبْطِئُ فِي بُغْضِنَا أَهْلَ الْبَيْتِ مَنْ كَانَ نَظَرُهُ إِلَيْنَا شَنَفًا وَشَنْآنًا وَأَحَنًا وَضَغَنًا، يُظْهِرُ كُفْرَهُ بِرَسُولِهِ وَيُفْصِحُ ذَلِكَ بِلِسَانِهِ وَهُوَ يَقُولُ فَرِحًا بِقَتْلِ وُلْدِهِ وَسَبْيِ ذُرِّيَّتِهِ غَيْرَ مُتَحَوِّبٍ وَلَا مُسْتَعْظِمٍ:

Weet wel: dit is het resultaat van de diepgewortelde trekken van ongeloof – een wrok die sinds de gesneuvelden van Badr als een giftige kluwen in de borst is blijven woekeren! Wie ons, de Ahl al-Bayt, altijd al met haat en afkeer heeft bekeken, met rancune en wrok in het hart, zal zijn hekel aan ons niet vreemd vinden. Jouw ongeloof in de Boodschapper van Allah heb je nooit verborgen – in tegendeel, je hebt het openlijk met je tong beleden. Jij zegt immers, zonder ook maar enig schuldgevoel of schroom te kennen, terwijl je verheugd bent over het afslachten van zijn kinderen en het gevangen nemen van zijn nakomelingen:

لَأَهَلُّوا وَاسْتَهَلُّوا فَرَحًا وَلَقَالُوا يَا يَزِيدُ لَا تُشَلَّ

“Zij zouden van blijdschap hebben gejubeld en geroepen hebben: ‘O Yazid, moge je hand nooit verlamd raken!’”

مُنْتَحِياً عَلَى ثَنَايَا أَبِي عَبْدِ اللَّهِ – وَكَانَ مُقَبَّلَ رَسُولِ اللَّهِ (ص) – يَنْكُتُهَا بِمِخْصَرَتِهِ، قَدِ الْتَمَعَ السُّرُورُ بِوَجْهِهِ!

(Je deed dit) terwijl je je voorover boog over de tanden van Abū ‘Abdillāh (Imam Husayn) – dezelfde tanden die door de Boodschapper van Allah (s) vaak waren gekust – en je er met je stok op sloeg. We konden de voldoening van plezier op je gezicht zien glimmen!

لَعَمْرِي لَقَدْ نَكَأْتَ الْقُرْحَةَ وَاسْتَأْصَلْتَ الشَّأْفَةَ بِإِرَاقَتِكَ دَمَ سَيِّدِ شَبَابِ أَهْلِ الْجَنَّةِ وَابْنِ يَعْسُوبِ الْعَرَبِ وَشَمْسِ آلِ عَبْدِ الْمُطَّلِبِ. وَهَتَفْتَ بِأَشْيَاخِكَ وَتَقَرَّبْتَ بِدَمِهِ إِلَى الْكَفَرَةِ مِنْ أَسْلَافِكَ. ثُمَّ صَرَخْتَ بِنِدَائِكَ – وَلَعَمْرِي قَدْ نَادَيْتَهُمْ – لَوْ شَهِدُوكَ، وَوَشِيكًا تَشْهَدُهُمْ وَيَشْهَدُوكَ، وَلَتَوَدُّ يَمِينُكَ – كَمَا زَعَمْتَ – شُلَّتْ بِكَ عَنْ مِرْفَقِهَا، وَأَحْبَبْتَ أُمَّكَ لَمْ تَحْمِلْكَ وَأَبَاكَ لَمْ يَلِدْكَ، حِينَ تَصِيرُ إِلَى سَخَطِ اللَّهِ، وَمُخَاصِمُكَ وَمُخَاصِمُ أَبِيكَ رَسُولُ اللَّهِ.

Bij mijn leven – door het vergieten van het bloed van de Prins der Paradijselijke Jongelingen, de zoon van de Sayyed der Arabieren en de stralende zon van de clan ‘Abd al-Muṭṭalib, Bij mijn leven! Jij hebt de wond opnieuw doen bloeden en (de zaak) tot op de wortel doorgedreven. Je riep zelfs om je voorvaderen en meende je met zijn bloed te kunnen aanbieden aan de ongelovige geesten van jouw voorgeslacht. Vervolgens schreeuwde je luidkeels je kreten – en waarlijk, je hébt hen aangeroepen – alsof zij getuige konden zijn van jouw daden. Weldra zul jij naar hen toe gaan en jullie zullen tegenover elkaar komen te staan. Dan zul je wensen – zoals je zelf bespot – dat je rechterhand verlamd was geraakt en al bij je elleboog was afgestorven; dat je wenste dat je moeder je nooit had gedragen en je vader je nooit had verwekt. Dat zal zijn wanneer je verzinkt in Allah’s toorn, en de Boodschapper van Allah jouw tegenpartij is – de Boodschapper die zowel jou als je vader (Mu’awiya) dan zal aanklagen.

اللَّهُمَّ خُذْ بِحَقِّنَا وَانْتَقِمْ مِنْ ظَالِمِنَا، وَأَحْلِلْ غَضَبَكَ بِمَنْ سَفَكَ دِمَاءَنَا، وَنَقَصَ ذِمَامَنَا وَقَتَلَ حُمَاتَنَا وَهَتَكَ عَنَّا سُدُولَنَا.

O Allah, sta ons recht toe en wreek ons op wie ons heeft onrecht aangedaan. Laat Uw toorn neerdalen op degene die ons bloed heeft vergoten, ons verbond heeft geschonden, onze beschermers heeft gedood en onze sluier van eer heeft weggerukt.

وَفَعَلْتَ فَعْلَتَكَ الَّتِي فَعَلْتَ، وَمَا فَرَيْتَ إِلَّا جِلْدَكَ، وَمَا جَزَزْتَ إِلَّا لَحْمَكَ، وَسَتَرِدُ عَلَى رَسُولِ اللَّهِ بِمَا تَحَمَّلْتَ مِنْ ذُرِّيَّتِهِ، وَانْتَهَكْتَ مِنْ حُرْمَتِهِ وَسَفَكْتَ مِنْ دِمَاءِ عِتْرَتِهِ وَلُحْمَتِهِ، حَيْثُ يَجْمَعُ اللهُ شَمْلَهُمْ وَيَلُمُّ شَعَثَهُمْ وَيَنْتَقِمُ مِنْ ظَالِمِهِمْ وَيَأْخُذُ لَهُمْ بِحَقِّهِمْ مِنْ أَعْدَائِهِمْ.

En jij, Yazid – jij hebt gedaan wat je gedaan hebt. Maar weet wel: je hebt uiteindelijk slechts in je eigen huid gesneden, je hebt slechts je eigen vlees weggesneden. Jij zult straks voor de Boodschapper van Allah verschijnen met het gewicht van zijn nageslacht op jouw schouders: jij hebt de eer van zijn familie geschonden en het bloed van zijn verwanten en nakomelingen vergoten. Allah zal hen allen bijeenbrengen en hun verbrokkelde gemeenschap heel maken. Dan zal Hij hun onderdrukker vergelden, en hun recht voor hen terugeisen van hun vijanden.

وَلَا يَسْتَفِزَّنَّكَ الْفَرَحُ بِقَتْلِهِ، وَلا تَحْسَبَنَّ الَّذِينَ قُتِلُوا فِي سَبِيلِ اللَّهِ أَمْوَاتًا بَلْ أَحْيَاءٌ عِنْدَ رَبِّهِمْ يُرْزَقُونَ فَرِحِينَ بِمَا آتَاهُمُ اللهُ مِنْ فَضْلِهِ

Laat de vreugde over zijn dood jou niet meeslepen. En denk niet dat degenen die ter wille van Allah gedood zijn dood zijn – integendeel, zij zijn bij hun Heer levende en krijgen daar voorzieningen, verheugd om wat Allah hun uit Zijn gunst geschonken heeft.

وَحَسْبُكَ بِاللَّهِ وَلِيًّا وَحَاكِمًا وَبِرَسُولِ اللَّهِ خَصِيمًا وَبِجَبْرَئِيلَ ظَهِيرًا. وَسَيَعْلَمُ مَنْ بَوَّأَكَ وَمَكَّنَكَ مِنْ رِقَابِ الْمُسْلِمِينَ أَنَّ بِئْسَ لِلظَّالِمِينَ بَدَلًا وَأَنَّكُمْ شَرٌّ مَكَانًا وَأَضَلُّ سَبِيلًا.

Voor jou volstaat het (te weten) dat Allah jouw rechter is en dat de Boodschapper van Allah jouw tegenstander zal zijn, met de engel Jibrīl als hun helper. Weldra zal hij die jou op de troon hielp en jou over de moslims liet heersen, beseffen welk een slechte ruil de onrechtplegers hebben gemaakt – en zullen jullie (tirannen) beseffen wie de slechtste positie heeft en wie het verst van het rechte pad is geraakt.

وَمَا اسْتِصْغَارِي قَدْرَكَ وَلَا اسْتِعْظَامِي تَقْرِيعَكَ تَوَهُّمًا لِانْتِجَاعِ الْخِطَابِ فِيكَ – بَعْدَ أَنْ تَرَكْتَ عُيُونَ الْمُسْلِمِينَ بِهِ عَبْرَى وَصُدُورَهُمْ عِنْدَ ذِكْرِهِ حَرَّى – فَتِلْكَ قُلُوبٌ قَاسِيَةٌ وَنُفُوسٌ طَاغِيَةٌ وَأَجْسَامٌ مَحْشُوَّةٌ بِسَخَطِ اللَّهِ وَلَعْنَةِ الرَّسُولِ، قَدْ عَشَّشَ فِيهِ الشَّيْطَانُ وَفَرَّخَ – وَمِنْ هُنَاكَ مِثْلُكَ مَا دَرَجَ وَنَهَضَ.

Overigens – dat ik jouw statuur gering acht en het nutteloos vind om je nog vermanend toe te spreken, komt niet voort uit de illusie dat een berisping enig effect op jou zal sorteren. (Niet) na wat je hebt aangericht: je hebt de ogen van de moslims gevuld met tranen en hun harten doen branden bij de gedachte eraan. (Want) enkel uit versteende harten en tirannieke zielen – uit lichamen vervuld van Gods toorn en de vloek van Zijn Profeet, waarin de duivel genesteld zit en zijn eieren gelegd heeft – enkel uit zulk een bron kan iemand zoals jij voortspruiten en opstaan.

فَالْعَجَبُ كُلُّ الْعَجَبِ لِقَتْلِ الْأَتْقِيَاءِ وَأَسْبَاطِ الْأَنْبِيَاءِ وَسَلِيلِ الْأَوْصِيَاءِ بِأَيْدِي الطُّلَقَاءِ الْخَبِيثَةِ وَنَسْلِ الْعَهَرَةِ الْفَجَرَةِ! تَنْطِفُ أَكُفُّهُمْ مِنْ دِمَائِنَا، وَتَتَحَلَّبُ أَفْوَاهُهُمْ مِنْ لُحُومِنَا، وَلِلْجُثَثِ الزَّاكِيَةِ عَلَى الْجُبُوبِ الضَّاحِيَةِ تَنْتَابُهَا الْعَوَاسِلُ وَتُعَفِّرُهَا الْفَرَاعِلُ.

Hoe verbijsterend – ja, het allermeest verbijsterend – is het dat de vromen vermoord worden, de kleinzonen van profeten en de nakomelingen van de voogden (van de ummah) afgeslacht worden, door de smerige handen van bevrijde slaven en door het gebroed van verdorven ontuchtigen! Hun handen druipen van ons bloed; hun muilen lopen over van ons vlees. De reine lichamen van onze martelaren liggen op de open vlakten; hongerige roofdieren vallen hen aan en wilde hyena’s wentelen zich over hen heen in het stof.

فَلَئِنِ اتَّخَذْتَنَا مَغْنَمًا لَتَتَّخِذُنَا وَشِيكًا مَغْرَمًا، حِينَ لَا تَجِدُ إِلَّا مَا قَدَّمَتْ يَدَاكَ – وَمَا اللَّهُ بِظَلَّامٍ لِلْعَبِيدِ. وَإِلَى اللَّهِ الْمُشْتَكَى وَالْمُعَوَّلُ، وَإِلَيْهِ الْمَلْجَأُ وَالْمُؤَمَّلُ.

Als jij ons nu beschouwt als jouw buit, dan zul je ons zeer spoedig zien veranderen in jouw last. Op de Dag waarop jij niets anders zult terugvinden dan wat je eigen handen hebben vooruitgezonden – en Allah is geen onrechtpleger voor Zijn dienaren. (Tot die Dag) klagen wij alleen bij Allah ons verdriet en op Hem stellen wij ons vertrouwen; tot Hem is onze toevlucht en op Zijn genade is onze hoop gevestigd.

ثُمَّ كِدْ كَيْدَكَ وَاجْهَدْ جُهْدَكَ! فَوَالَّذِي شَرَّفَنَا بِالْوَحْيِ وَالْكِتَابِ وَالنُّبُوَّةِ وَالِانْتِجَابِ – لَا تُدْرِكُ أَمَدَنَا وَلَا تَبْلُغُ غَايَتَنَا. وَلَا تَمْحُو ذِكْرَنَا وَلَا تَرْحَضُ عَنْكَ عَارَنَا. وَهَلْ رَأْيُكَ إِلَّا فَنَدٌ وَأَيَّامُكَ إِلَّا عَدَدٌ وَجَمْعُكَ إِلَّا بَدَدٌ، يَوْمَ يُنَادِي الْمُنَادِي: أَلَا لُعِنَ الظَّالِمُ الْعَادِي. وَالْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي حَكَمَ لِأَوْلِيَائِهِ بِالسَّعَادَةِ وَخَتَمَ لِأَوْصِيَائِهِ بِبُلُوغِ الْإِرَادَةِ – نَقَلَهُمْ إِلَى الرَّحْمَةِ وَالرَّأْفَةِ وَالرِّضْوَانِ وَالْمَغْفِرَةِ. وَلَمْ يَشْقَ بِهِمْ غَيْرُكَ وَلَا ابْتُلِيَ بِهِمْ سِوَاكَ. وَنَسْأَلُهُ أَنْ يُكْمِلَ لَهُمُ الْأَجْرَ وَيُجْزِلَ لَهُمْ الثَّوَابَ وَالذُّخْرَ. وَنَسْأَلُهُ حُسْنَ الْخِلَافَةِ وَجَمِيلَ الْإِنَابَةِ؛ إِنَّهُ رَحِيمٌ وَدُودٌ.

Dus ga je gang, smeed al je listen en span al je krachten in! Bij Degene die ons verheven heeft met openbaring, de Schrift, het profeetschap en (Zijn) uitverkiezing – jij zult nooit de reikwijdte van onze (ware) positie bereiken, noch ooit ons uiteindelijke doel kunnen aantasten. Je zult er niet in slagen onze herinnering uit te wissen, noch kun je de smet waarmee je ons beladen hebt van jezelf wegwassen. Wat is jouw oordeel anders dan een dwaling? En jouw dagen niets meer dan geteld? Jouw machtsverzameling – niets dan stof dat uiteen zal vallen, op de Dag dat de roeper zal afroepen: “Weet dat de vervloeking van Allah rust op de onrechtvaardigen!” Alle lof behoort toe aan Allah, die Zijn geliefden met geluk heeft beloond en Zijn voogden (de Imams) met het bereiken van hun beoogde martelaarschap heeft bekroond. Hij heeft hen overgebracht naar (Zijn) genade, mededogen, welbehagen en vergiffenis. Niemand behalve jij is door hen ten gronde gegaan; niemand anders dan jij werd met (hun zaak) beproefd. Wij smeken Hem dat Hij hun beloning volledig maakt en hun de verdiensten en schatrijke vergelding in overvloed schenkt. En wij vragen Hem (voor ons) een goede opvolging (in dit verlies) en een schone terugkeer (tot Hem). Voorwaar, Hij is barmhartig en liefdevol.

Voetnoten:

  1. Surat ar-Rūm 30:10 – “Toen was het einde van degenen die het kwaad deden het allerkwadere doordat zij de tekenen van Allah loochenden en deze bespotten.”[9][10]
  2. Surat Āl ʿImrān 3:178 – “En laat degenen die ongelovig zijn niet denken dat het uitstel dat Wij hun geven goed voor hen is. Wij geven hun slechts uitstel opdat zij (in) zonde zullen toenemen. En voor hen is een vernederende bestraffing.”[11]
  3. Surat Āl ʿImrān 3:169-170 – “Denk niet van hen die gedood zijn op Allah’s weg, dat zij dood zijn. Integendeel, zij leven bij hun Heer en krijgen voorzieningen, verheugd over wat Allah hun van Zijn gunst heeft gegeven.”[12]
  4. “Ibn al-Ṭulaqā’” (zoon van de Vrijgelatenen): verwijtende aanduiding van Yazid als afstammeling van degenen die door de heilige Profeet (s) genade kregen bij de verovering van Mekka in 8AH. Zijn grootvader Abū Sufyān (la) en diens familie – beruchte tegenstanders van de Profeet – werden destijds door de heilige Profeet vrijgelaten in plaats van gestraft, met de woorden “Gaat, want jullie zijn vrij.”[13][14] Deze grootmoedigheid werd door Yazids familie niet met oprechte bekering beantwoord, en Sayyeda Zaynab (as) herinnert hem hier smalend aan die onverdiende gunst.
  5. Deze dichtregels werden door Yazid gereciteerd terwijl het hoofd van Imam Husayn (as) voor hem stond[15]. Het zijn de woorden van een voor-islamitische dichter die Yazid met genoegen aanhaalde om zijn “wraak” op de clan van de heilige Profeet (s) te vieren. De uitdrukking “lā tushall” – “moge je hand niet verlamd raken” – is een gelukwens. Met bitter sarcasme citeert Sayyeda Zaynab (as) deze regels om te laten zien hoe Yazid openlijk zijn misdaad vierde en zelfs de goddelijke openbaring ontkende (in een vervolgregel, niet hier geciteerd, beweerde Yazid: “De clan van Hāshim heeft (slechts) met het koningschap gespeeld – er is geen bericht (van het Hiernamaals) gekomen, er is geen openbaring neergezonden!”[16]). Zodoende ontmaskert zij zijn gebrek aan geloof.
  6. Deze toespraak is overgeleverd in vele bronnen, zowel door soennitische als shi’itische geschiedschrijvers. Onder de soennitische historici vermeldde al-Khwārazmī (Mu’affaq ibn Aḥmad) de volledige khutba met een keten van overleveraars in zijn Maqtal al-Ḥusayn[17]. Tot de vroegste literaire bronnen behoort Balāghāt al-Nisā’ van Ibn Abī Ṭāyfur (3e eeuw AH), die passages van Sayyeda Zaynab (as)’s redevoering optekende[3]. In de Shi’itische traditie staat de tekst onder meer in Al-Iḥtijāj van Abū Manṣūr al-Ṭabrisī (vol. 2, blz. 305)[5], Muthīr al-Aḥzān van Ibn Namaʾ al-Ḥillī (blz. 80-81)[5], Al-Luḥūf van Sayyed Ibn Ṭāwūs (blz. 181 ev.)[5], en Biḥār al-Anwār van ʿAllāma al-Majlisī (dl. 45, blz. 138)[18]. Deze bronnen bevestigen de authenticiteit van de khutba en vormen de basis voor klassieke commentaren.
  7. “Zij hebben enkel zichzelf geschaad”: Met de woorden “je hebt slechts je eigen huid opengesneden en je eigen vlees afgesneden” (in het Arabisch een idiomatische uitdrukking) maakt Sayyeda Zaynab (as) duidelijk dat Yazid uiteindelijk alleen zichzelf beschadigd heeft[19][20]. Al zijn daden tegen de Profeet’s familie zullen zich tegen hém keren – zijn zonden snijden in zijn eigen vlees – en hun tragedie zal voor hen eindigen in een verheven status bij Allah, terwijl hij de echte verliezer is[21][22].
  8. Invloed en nasleep: Sayyeda Zaynab (as)’s moedige optreden in Damascus had een blijvende impact. Historische verslagen laten doorschemeren dat de mensen in Yazids hof diep onder de indruk raakten van haar woorden; sommigen begonnen zelfs openlijk te huilen om Imam Husayn (as)’s lot. Yazid zelf kon niets anders dan verstommen. Binnen een korte tijd na deze khutba zag hij zich gedwongen de Ahl al-Bayt (as) met eer te behandelen en hen terug te laten keren naar Medina, uit angst voor de groeiende verontwaardiging onder de bevolking. Sayyeda Zaynab (as)’s onverbiddelijke veroordeling van onrecht zou generaties lang naklinken in de harten van gelovigen. Tot op heden geldt haar toespraak als een meesterwerk van eloquentie en waarheidspreken voor tirannie – een manifestatie van de Qur’ānische belofte dat Allah’s licht niet uitgedoofd zal worden door de mond van de ongelovigen (zie Surat al-Tawbah 9:32). De klassieke geleerden prijzen Sayyeda Zaynab al-Kubra (as) om haar rol als “de heldin van Karbala” die de missie van Imam Husayn (as) levend hield. Haar khutba in Yazids majlis wordt nog altijd bestudeerd om de diepe religieuze lessen erin: de vergankelijkheid van aardse macht, de waarde van standvastigheid in geloof, en de uiteindelijke overwinning van gerechtigheid op tirannie[23][22]. Zoals Sayyeda Zaynab (as) met ferme overtuiging verkondigde: “Bij Allah – je zult onze herinnering nooit kunnen uitwissen, noch ons goddelijke doel doden!” Daarmee heeft zij gelijk gekregen: de namen van Imam Husayn (as) en Sayyeda Zaynab (as) zijn onuitwisbaar gegrift in de annalen, terwijl Yazids zogenaamde overwinning slechts als een smet in de geschiedenis voortleeft.

[1] [4] Sermon of Zaynab bint Ali in the court of Yazid – Wikipedia

https://en.wikipedia.org/wiki/Sermon_of_Zaynab_bint_Ali_in_the_court_of_Yazid

[2] [7] [8] [14] [21] [22] [23] Chapter 32: Sermon of Lady Zaynab in the court of Yazid | A Probe into the History of Ashura’ | Al-Islam.org

https://al-islam.org/probe-history-ashura-ibrahim-ayati/chapter-32-sermon-lady-zaynab-court-yazid

[3] [5] [13] [17] [19] [20] ملحق رقم (4) خطبة السيّدة زينب (عليها السّلام) في مجلس يزيد في الشام – مؤسسة السبطين العالمية

http://www.sibtayn.com/ar/index.php?option=com_content&view=article&id=31853:%D9%85%D9%84%D8%AD%D9%82-%D8%B1%D9%82%D9%85-4-%D8%AE%D8%B7%D8%A8%D8%A9-%D8%A7%D9%84%D8%B3%D9%8A%D9%91%D8%AF%D8%A9-%D8%B2%D9%8A%D9%86%D8%A8-%D8%B9%D9%84%D9%8A%D9%87%D8%A7-%D8%A7%D9%84%D8%B3%D9%91%D9%84%D8%A7%D9%85-%D9%81%D9%8A-%D9%85%D8%AC%D9%84%D8%B3-%D9%8A%D8%B2%D9%8A%D8%AF-%D9%81%D9%8A-%D8%A7%D9%84%D8%B4%D8%A7%D9%85&catid=1783&Itemid=264

[6] بطلة كربلاء زينب الكبرى صلوات الله عليها من المهد الى اللحد

https://abdelzahra1.com/vb/node/1657

[9] [10] [11] [12] نص:خطبة السيدة زينب (ع) في الشام – ويكي شيعة

https://ar.wikishia.net/view/%D9%86%D8%B5:%D8%AE%D8%B7%D8%A8%D8%A9_%D8%A7%D9%84%D8%B3%D9%8A%D8%AF%D8%A9_%D8%B2%D9%8A%D9%86%D8%A8_(%D8%B9)_%D9%81%D9%8A_%D8%A7%D9%84%D8%B4%D8%A7%D9%85

[15] شبكة المعارف الإسلامية:خطبة السيدة زينب عليها السلام في الشام

https://www.almaaref.org/maarefdetails.php?id=6818

[16] خطبة عقيلة ال محمد السيدة زينب (عليها السلام) في مجلس يزيد في الشام

https://rafed.net/reyhana/article/12177

[18] المحاضرة الثانية: مسيرة السبايا.. والقيادة الزينبيّة للثورة

https://almenbar.org/books/contentsimages/htmlfiles/zad_ashouraa/zad_ashuraa_1439/page/lesson20.htm

Klik voor PDF bestand

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven